Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag · Voorlopige voorziening · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 1 mei 2023

Zaakgegevens

Op 1 mei 2023 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
1 mei 2023
Datum publicatie
1 mei 2023
Zaaknummer
NL 22.19187
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2023:6206
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

geen connexiteit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL22.19187


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker,

geboren op [geboortedatum].

van Armeense nationaliteit,

v-nummer: [v-nummer],

(gemachtigde: mr. H.T. Gerbrandy),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2022 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot afgifte van een verblijfsdocument EU/ EER afgewezen.

Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Verzoeker heeft bij brief van 23 september 2022 verzocht een voorlopige voorziening te treffen hangende het bezwaar tegen verweerders besluit van 22 september 2022.

Verweerder heeft op 16 februari 2023 beslist op het bezwaarschrift van verzoeker.

Verzoeker heeft geen beroep ingediend tegen de beslissing op het bezwaarschrift.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:83, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Op grond van artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Aangezien verweerder bij besluit van 16 februari 2023 op het bezwaar van verzoeker heeft beslist, waartegen verzoeker vervolgens geen rechtsmiddelen heeft aangewend, is, gelet op artikel 8:81, tweede lid, Awb de vereiste connexiteit aan het verzoek komen te ontvallen.

Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.


Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van B. van der Wiel, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.