Vreemdelingenrecht
De staatssecretaris verzet zich niet tegen toewijzen van het verzoek om een voorlopige voorziening.
Rechtbank Den Haag, 30 mei 2024
ECLI:NL:RBDHA:2024:8326 · Rechtbank Den Haag · 30 mei 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2024-8326
Zaakgegevens
Op 30 mei 2024 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 30 mei 2024
- Datum publicatie
- 30 mei 2024
- Zaaknummer
- NL24.21158
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2024:8326
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De staatssecretaris verzet zich niet tegen toewijzen van het verzoek om een voorlopige voorziening.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.21158
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], verzoekster
(gemachtigde: mr. S.R. Nohar),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
(gemachtigde: mr. M. Weerman).
Inleiding
Bij besluit van 17 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris de aanvraag om toepassing te geven aan artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.
Verzoekster heeft daartegen bezwaar gemaakt. Ook heeft zij een verzoek om een voorlopige voorziening gevraagd.
In verband met het spoedeisende karakter van dit verzoek om een voorlopige voorziening heeft een openbare behandeling van het verzoek niet plaatsgevonden.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe.
2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 20 februari 2024 is de asielaanvraag van verzoekster niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag. Het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank bij uitspraak 5 april 2024 ongegrond verklaard.
3. Verzoekster heeft op 23 april 2024 een aanvraag gedaan om toepassing te geven aan artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (VW 2000).
4. Bij besluit van 17 mei 2024 heeft de staatssecretaris de aanvraag afgewezen.
Verzoekster heeft daartegen bezwaar gemaakt. Ook heeft zij een verzoek om een voorlopige voorziening gevraagd. Op 29 mei 2024 is namens verzoekster gevraagd om zo spoedig mogelijk een uitspraak te doen op het verzoek om een voorlopige voorziening, omdat de staatssecretaris voornemens is haar op 3 juni 2024 aan Frankrijk over te dragen.
5. Desgevraagd heeft de staatssecretaris op 30 mei 2024 een reactie aan de voorzieningenrechter doen toekomen. Verweerder ziet zich genoodzaakt om naar aanleiding van de door verzoekster overgelegde brief van de regiebehandelaar van eiseres een BMA-advies aan te vragen in de bezwaarprocedure van eiseres. Gelet hierop verzet verweerder zich niet tegen toewijzing van de voorlopige voorziening.
6. Omdat de staatssecretaris zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorziening en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletselen ziet om deze toe te wijzen, zal met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden beslist als hierna aangegeven.
7. Er bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten van deze procedure. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit Proceskosten bestuursrecht voor de door de derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 875,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
-
wijst het verzoek toe;
-
gebiedt verweerder om zich te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting buiten het grondgebied van Nederland van verzoeker totdat op het bezwaar is beslist;
-
veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 875,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.