Vreemdelingenrecht

Voorlopige voorziening, het verzoek voor een voorlopige voorziening tegen het besluit van de minister van 17…

Rechtbank Den Haag, 24 juni 2025

Zaakgegevens

Op 24 juni 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
24 juni 2025
Datum publicatie
26 juni 2025
Zaaknummer
NL25.13424
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:11203
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Voorlopige voorziening, het verzoek voor een voorlopige voorziening tegen het besluit van de minister van 17 maart 2025, niet-ontvankelijk.

Uitspraak

uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]

VOORZIENINGENRECHTER MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.13425

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker, (gemachtigde: mr. A. Orhan),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van de minister van 17 maart 2025.

Overwegingen

2. De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Verzoeker heeft namelijk het griffierecht niet betaald, waardoor de voorzieningenrechter de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de voorzieningenrechter dat verder uit.

3. Iemand die een verzoek om een voorlopige voorziening doet, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit geval is het griffierecht € 194,-.

4. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald, is de hoofdregel dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het griffierecht niet door de voorzieningenrechter is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar verzoeker niets aan kan doen.

5. De voorzieningenrechter heeft verzoeker op 2 mei 2025 een aangetekende brief gestuurd, waarin staat dat verzoeker het griffierecht binnen twee weken moet betalen aan de rechtbank. Verzoeker heeft gevraagd om vrijstelling van de verplichting tot het voldoen van griffierecht. De voorzieningenrechter heeft verzoeker op 29 april 2025 een brief gestuurd waarin staat dat zijn verzoek is afgewezen en dat hij het griffierecht wel moet betalen. Verzoeker moest dit doen uiterlijk binnen twee weken na ontvangst van de brief. De brief is op 7 mei 2025 ontvangen door verzoeker, waardoor de uiterlijke datum van de betaling 21 mei 2025 was.

6. De voorzieningenrechter heeft het bedrag niet ontvangen. Verzoeker heeft daar geen geldige reden voor gegeven.

7. Het beroep zal niet inhoudelijk worden behandeld en de voorzieningenrechter zal geen inhoudelijke uitspraak over het beroep doen. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54, eerste lid, van de Awb).

8. Verzoeker krijgt geen gelijk en daarom ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J.B. Thépass, griffier.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

24 juni 2025

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.