Vreemdelingenrecht
Vovo hangende bezwaar. Toegewezen, want de minister heeft zich niet tegen toewijzing verzet.
Rechtbank Den Haag, 12 mei 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:11229 · Rechtbank Den Haag · 12 mei 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2025-11229
Zaakgegevens
Op 12 mei 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 12 mei 2025
- Datum publicatie
- 26 juni 2025
- Zaaknummer
- NL24.32483
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2025:11229
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vovo hangende bezwaar. Toegewezen, want de minister heeft zich niet tegen toewijzing verzet.
Uitspraak
uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.32483
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster] , V-nummer: [V-nummer] , verzoekster (gemachtigde: mr. N. den Ouden),
en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. D. Vos).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster.
Verzoekster heeft op 10 april 2024 een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘Familie- en gezin’. De minister heeft de aanvraag met het besluit van 1 augustus 2024 afgewezen en een terugkeerbesluit opgelegd aan verzoekster. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen tot op het bezwaar is beslist.
De minister heeft de voorzieningenrechter bericht zich niet te verzetten tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening.
Partijen hebben de rechtbank schriftelijk toestemming verleend om het beroep zonder zitting af te doen, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De voorzieningenrechter heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, een voorlopige voorziening treffen wanneer onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, is daarbij bevoegd om op verzoek op dit punt een oordeel te geven
3. De minister heeft verzoekster bij besluit van 1 augustus 2024 meegedeeld dat zij niet langer in Nederland mag zijn, dat zij kan worden uitgezet en dat het indienen van een bezwaarschrift deze vertrekplicht niet opschort. Verzoekster heeft dus een spoedeisend belang.
4. Verzoekster heeft verzocht om als voorlopige voorziening te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft totdat op het bezwaarschrift is beslist.
5. Bij brief van 22 april 2025 heeft de minister aangegeven dat hij zich niet verzet tegen toewijzing ten aanzien van hetgeen is verzocht in het verzoekschrift. Nu partijen het erover eens zijn dat van uitzetting van verzoekster behoort te worden afgezien, wijst de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening toe en verbiedt de minister om verzoekster uit te zetten totdat de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 1 augustus 2024 is geschorst totdat de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt .
7. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, krijgt verzoekster een vergoeding van de proceskosten die zij heeft gemaakt. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
-
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
-
schorst het primaire besluit en verbiedt de minister om verzoekster uit Nederland te verwijderen totdat de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt;
-
veroordeelt de minister tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
12 mei 2025