Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening, spoedeisend belang, BMA-advies, beroep kan niet voor UOD worden afgehandeld, toegewezen.
Rechtbank Den Haag, 20 augustus 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:15687 · Rechtbank Den Haag · 20 augustus 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2025-15687
Zaakgegevens
Op 20 augustus 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 20 augustus 2025
- Datum publicatie
- 22 augustus 2025
- Zaaknummer
- NL25.20901 en NL25.24117
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2025:15687
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Voorlopige voorziening, spoedeisend belang, BMA-advies, beroep kan niet voor UOD worden afgehandeld, toegewezen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.20901 en NL25.24117
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster], verzoekster
V-nummer: [V-nummer 1]
[verzoeker], verzoeker
V-nummer: [V-nummer 2]
hierna gezamenlijk te noemen: verzoekers
(gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).
Procesverloop
Bij besluit van 6 mei 2025 (bestreden besluit 1) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Bij besluit van 26 mei 2025 (bestreden besluit 2) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoekers hebben afzonderlijk beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Ze hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak buiten zitting.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
2. De asielaanvraag van verzoekers is niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw omdat een andere lidstaat daarvoor verantwoordelijk is zoals bedoeld in de Dublinverordening. Deze verordening stelt in artikel 29, eerste lid, een termijn van zes maanden waarbinnen een verzoeker van internationale bescherming dient te worden overgedragen aan de ontvangende lidstaat. Uit het bericht van verweerder van 13 augustus 2025, in de zaak met zaaknummer NL25.20900, volgt dat het BMA-advies niet voor het verstrijken van de overdrachtstermijn zal worden ontvangen. Verweerder laat verder in dit bericht weten dat hij in navolging van verzoekers vraagt om toewijzing van de gevraagde voorlopige voorzieningen. De vereiste onverwijlde spoed is daarmee gegeven.
3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verzoekers om de uitspraak op de beroepen in Nederland af te mogen wachten zwaarder dan het belang van verweerder om verzoekers daarvóór al over te dragen. De voorzieningenrechter wijst om die reden de verzoeken om een voorlopige voorziening als kennelijk gegrond toe en schorst de bestreden besluiten totdat op de beroepen is beslist. De overdrachtstermijn zal ten gevolge van deze uitspraak worden opgeschort.
4. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907 (twee samenhangende zaken, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
? wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening toe in die zin dat de bestreden besluiten worden geschorst en dat verzoekers de behandeling van hun beroepen (met zaaknummers NL25.20901 en NL25.24116) in Nederland mogen afwachten;
? veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten ter hoogte van € 907 (negenhonderdenzeven euro).
Deze uitspraak is gedaan op 20 augustus 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.