Vreemdelingenrecht

Verzoek om voorlopige voorziening bij NL25.43017 afgewezen.

Rechtbank Den Haag, 17 december 2025

Zaakgegevens

Op 17 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
17 december 2025
Datum publicatie
29 december 2025
Zaaknummer
NL25.43018
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:25430
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om voorlopige voorziening bij NL25.43017 afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.43018

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[verzoekster] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2], V-nummer: [V-nummer] , verzoekers

(gemachtigde: mr. M. Drenth), en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).

Procesverloop

  1. Verzoekster heeft mede namens haar minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 5 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond en de aanvragen van de minderjarige kinderen afgewezen als ongegrond. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

  2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de behandeling van het beroep, zaaknummer NL25.43017, op 5 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekers, Y. Igielski als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.43017, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.

4. De voorzieningenrechter ziet, gelet op de inhoud van de uitspraak op het beroep, aanleiding te bepalen dat verzoekers een vergoeding krijgen van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 907,-, omdat de gemachtigde een verzoekschrift heeft ingediend.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

  • veroordeelt de minister tot betaling van een bedrag van € 907,00 aan proceskosten aan verzoekers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

17 december 2025

[afbeelding niet beschikbaar]

Documentcode: [Documentcode]

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.