Vreemdelingenrecht
Afwijzing voorlopige voorziening.
Rechtbank Den Haag, 30 december 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:27854 · Rechtbank Den Haag · 30 december 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2025-27854
Zaakgegevens
Op 30 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 30 december 2025
- Datum publicatie
- 10 april 2026
- Zaaknummer
- NL25.4931
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2025:27854
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Afwijzing voorlopige voorziening.
Uitspraak
uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.4931
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker (gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 28 januari 2025 heeft de minister de aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning van eiser afgewezen. Tegen dat besluit heeft verzoeker bezwaar aangetekend en heeft hij tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.
Bij besluit van 18 juli 2025 heeft de minister het bezwaar van verzoeker gegrond verklaard. Dat maakt dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening hangende het bezwaar “omklapt” naar een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in de beroepsfase.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Het verzoek om een voorlopige voorziening is namelijk kennelijk niet-ontvankelijk, waardoor de voorzieningenrechter de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Vanwege het feit dat verzoeker geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 18 juli 2025, is niet voldaan aan het connexiteitsvereiste, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het verzoek is daarmee kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:83 van de Awb). Dat betekent dat het verzoek niet inhoudelijk wordt behandeld. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
J.M. Pattynama, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 december 2025