Vreemdelingenrecht

Afwijzing verzoek voorlopige beslissing, omdat is beslist op het samenhangende beroep in ECLI:NL:RBDHA:2025:2787.

Rechtbank Den Haag, 25 februari 2025

Zaakgegevens

Op 25 februari 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
25 februari 2025
Datum publicatie
25 februari 2025
Zaaknummer
NL24.46932
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:2790
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Afwijzing verzoek voorlopige beslissing, omdat is beslist op het samenhangende beroep in ECLI:NL:RBDHA:2025:2787.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.46932

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], verzoekster,

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. D. de Vries),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. D. Boer).

Procesverloop

1. Bij besluit van 22 november 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister de opvolgende asielaanvraag van verzoekster afgewezen als kennelijk ongegrond.

1.1.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

1.2.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening, samen met het beroep op 14 januari 2025 op zitting behandeld. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Het onderzoek is op de zitting gesloten.

Overwegingen

2. Bij uitspraak van vandaag, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het samenhangende beroep van verzoekster, en dat beroep gegrond verklaard. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.

3. Omdat het samenhangende beroep gegrond is verklaard, krijgt verzoekster wel vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 907,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

  • veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 907,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

NL24.46931. 1 punt voor het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1.