Vreemdelingenrecht
Vovo toegewezen bij wijze van ordemaatregel. Derdelander Oekraïne zaak.
Rechtbank Den Haag, 3 september 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:28007 · Rechtbank Den Haag · 3 september 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2025-28007
Zaakgegevens
Op 3 september 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 3 september 2025
- Datum publicatie
- 19 juni 2026
- Zaaknummer
- NL25.41479
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2025:28007
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vovo toegewezen bij wijze van ordemaatregel. Derdelander Oekraïne zaak.
Uitspraak
uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.41479
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker (gemachtigde: mr. F. Jansen),
en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: M. Tamliani).
Inleiding
1. Op 17 juli 2025 heeft de minister een terugkeerbesluit opgelegd aan verzoeker. Verzoeker is het daar niet mee eens en heeft daartegen beroep ingesteld. Verder heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.1
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De minister stelt zich in het terugkeerbesluit op het standpunt dat verzoeker geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland omdat het recht op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) is geëindigd op 4 maart 2024 en er geen andere vorm van rechtmatig verblijf is. Tot 4 september 2025 behoudt verzoeker recht op opvang en voorzieningen en mag hij blijven werken vanwege de zogenoemde bevriezingsmaatregel.2 Vanaf 4 september 2025 mag verzoeker niet meer werken en heeft verzoeker vier weken de tijd om te vertrekken uit de opvang en uit Nederland.
3. Omdat de bevriezingsmaatregel op 4 september 2025 eindigt, heeft verzoeker een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
4. Gelet op de korte termijn die nog resteert voor 4 september 2025, is de voorzieningenrechter niet in staat om een voorlopig rechtmatigheidsoordeel te geven over de gronden van het beroep. De voorzieningenrechter is voornemens om het beroep van verzoeker op een zitting te behandelen. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om de gevraagde voorziening toe te wijzen. Daarbij wordt overwogen dat de voorzieningenrechter toewijzing van het verzoek niet zeer ingrijpend acht. Toewijzing komt in feite slechts neer op een verlenging van de bevriezingsmaatregel bij wijze van ordemaatregel, zonder dat daarbij op enige wijze vooruitgelopen wordt op de uitkomst van het beroep. Het niet treffen van de gevraagde voorziening daarentegen kan leiden tot een
situatie waarin verzoeker niet meer mag werken en Nederland kan worden uitgezet, terwijl de rechtbank zich nog niet heeft uitgelaten over de in geschil zijnde vragen. Niet uitgesloten is dat uitzetting onomkeerbare gevolgen voor verzoeker kan hebben. Onder deze omstandigheden kent de voorzieningenrechter aan het belang van verzoeker om het beroep in Nederland te mogen afwachten doorslaggevend gewicht toe.
5. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,-(1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
-
wijst het verzoek toe;
-
bepaalt dat verzoeker het recht behoudt om te mogen werken en niet Nederland mag worden uitgezet - en dat verzoeker in zoverre dus wordt behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming als bedoeld in de RTB op hem van toepassing is - totdat uitspraak is gedaan op het beroep;
-
veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
03 september 2025
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]Mr. N.M. Spelt F.J. Attema
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [Documentcode]
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
1. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Brief van de Minister van Asiel en Migratie aan de Tweede Kamer van 3 juni 2025, Kamerstukken II, 2024-2025, 19 637, nr. 3434.