Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag · Voorlopige voorziening · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 17 april 2025

Zaakgegevens

Op 17 april 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
17 april 2025
Datum publicatie
17 april 2025
Zaaknummer
AWB 24/14892
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:6528
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

beroep niet tijdig, vovo

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 24/14892


uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 april 2025 in de zaak tussen


[naam],

V-nummer: [nummer],

[naam],

V-nummer: [nummer],

[naam],

V-nummer: [nummer],

[naam],

V-nummer: [nummer],

gezamenlijk: verzoekers,

(gemachtigde: mr. T.M. van der Wal),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.


Inleiding

1. Verzoekers hebben op 9 juni 2022 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf ingediend.

1.1.

Verzoekers hebben op 20 september 2024 een tweede beroep tegen het niet tijdig beslissen op hun aanvraag ingediend (AWB 24/14891). Verzoekers hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

1.2.

De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij uitspraak van vandaag (AWB 24/14891), heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af als kennelijk ongegrond.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.A. Smit, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.