Vreemdelingenrecht

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening. Geen spoedeisend belang. Geen sprake van uitzetting.

Rechtbank Den Haag, 17 januari 2025

Zaakgegevens

Op 17 januari 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
17 januari 2025
Datum publicatie
13 mei 2025
Zaaknummer
NL24.36643
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:8279
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening. Geen spoedeisend belang. Geen sprake van uitzetting.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL24.36643


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen


[verzoekster] , V-nummer: [v-nummer] , verzoekster

(gemachtigde: mr. J.B. Bierbach),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

1.1.

Met het bestreden besluit van 9 augustus 2024, verzonden op 12 september 2024, heeft verweerder de verblijfsvergunning van verzoekster met als verblijfsdoel ‘Arbeid als kennismigrant’ ingetrokken omdat zij niet meer aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning voldoet.

1.2.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar ingediend. Zij heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat uitzetting verboden wordt tot op het bezwaarschrift is beslist, dat schorsende werking aan het bezwaarschrift wordt toegekend en verweerder gelast wordt het bezwaarschrift meteen in behandeling te nemen en gegrond te verklaren.

1.3.

Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

1.4.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en mevrouw C. van Lingen als tolk in de Engelse taal.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.

4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat wat verzoekster in het verzoekschrift en tijdens de zitting heeft aangevoerd, geen blijk geeft van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. In het bestreden besluit staat vermeld dat indien tijdig bezwaar wordt gemaakt, verzoekster in Nederland mag blijven tot een beslissing op het bezwaar is genomen. Verweerder heeft in het verweerschrift vastgesteld dat de termijn om bezwaar in te dienen op 13 september 2024 is ingegaan omdat het bestreden besluit pas op 12 september 2024 is verzonden. Nu verzoekster op 13 september 2024 tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het bestreden besluit, heeft dit bezwaar schorsende werking. Zoals verweerder in het verweerschrift ook heeft aangevoerd, mag verzoekster daarom in Nederland blijven tot op het bezwaar is beslist. Daarnaast is op de zitting door verzoekster naar voren gebracht dat er een aanvraag is gedaan voor een (verlenging van de) verblijfsvergunning als kennismigrant bij haar nieuwe werkgever. Verzoekster heeft hierbij onderbouwd toegelicht dat haar nieuwe werkgever een erkend referent is. Ook heeft zij een arbeidscontract overgelegd. Op grond van artikel 8, onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 mag verzoekster in afwachting van de beslissing op de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning in Nederland blijven. Op dit moment dreigt op geen enkele wijze een uitzetting waardoor ook het verlopen van de verblijfsvergunning op 10 februari 2025 geen spoedeisend belang schept.

5. Voor zover de gemachtigde van verzoekster heeft bedoeld te betogen dat sprake is van een spoedeisend belang omdat verzoekster in de problemen komt met haar nieuwe werkgever als deze erachter komt dat de verblijfsvergunning is ingetrokken, volgt de voorzieningenrechter dit niet. Verweerder heeft door indiening van het bezwaar schorsende werking verleend aan het bestreden besluit waardoor de intrekking van de verblijfsvergunning van verzoekster nog niet definitief is. Verzoekster beschikt daarom nog over haar verblijfsvergunning als kennismigrant. Haar nieuwe werkgever kan hierin volgens de voorzieningenrechter dan ook geen probleem zien. Er kan pas een probleem ontstaan als verweerder negatief beslist op het bezwaar en negatief beslist op de aanvraag voor de verblijfsvergunning bij de nieuwe werkgever. Dit is echter een onzekere situatie die nog niet aan de orde is; verweerder kan immers ook tot positieve beslissingen komen, dat moet nog worden afgewacht.

6. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Verzoekster heeft haar nieuwe arbeidsrelatie onderbouwd met een arbeidscontract. Ook heeft verzoekster met verwijzing naar het Openbaar Register Arbeid Regulier onderbouwd dat haar nieuwe werkgever een erkend referent is. De voorzieningenrechter heeft dit register geraadpleegd en daarin staat inderdaad de nieuwe werkgever genoemd als erkend referent. Verder heeft verzoekster op de zitting concreet verklaard dat wordt voldaan aan het loonvereiste. Ook heeft de gemachtigde van verzoekster betoogd dat binnen de termijn van twee jaar wordt gebleven sinds het einde van de geldigheid van de vorige verblijfsvergunning, zodat het mvv-vereiste niet kan worden tegengeworpen. Voor zover de voorzieningenrechter op basis van het dossier kan overzien, lijken er daarom geen beletselen te bestaan voor verweerder om een nieuwe verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘Arbeid als kennismigrant’ toe te kennen. Dat geeft de voorzieningenrechter aan verweerder mee om te bezien in het kader van de nieuwe aanvraag. Ook geeft de voorzieningenrechter verweerder mee om zo mogelijk spoedig te beslissen op het bezwaar, zodat verzoekster niet langer in onzekerheid hoeft te verkeren, wat verzoekster – zoals zij op de zitting heeft toegelicht – zwaar valt.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

mr. J.C.M. Schilder, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.