Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag · Voorlopige voorziening · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 10 april 2026

Zaakgegevens

Op 10 april 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
10 april 2026
Datum publicatie
8 mei 2026
Zaaknummer
NL25.61422
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:11043
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

VK. Vovo bij beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.61422


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. V. Senczuk),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. W.M.A. van Hoof).

Procesverloop

1.1

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 15 december 2025 de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.

1.2

Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

1.3

De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de behandeling van het beroep (met zaaknummer NL25.61421), op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde waren, met bericht van verhindering, niet aanwezig. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.61421, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.

3. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.C. Hummel, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.