Vreemdelingenrecht

Spoedvovo, gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid, verzet me niet, verzoek toegewezen.

Rechtbank Den Haag, 12 mei 2026

Zaakgegevens

Op 12 mei 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
12 mei 2026
Datum publicatie
20 mei 2026
Zaaknummer
AWB 26/6640
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:12629
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Spoedvovo, gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid, verzet me niet, verzoek toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 26/6640


uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], v-nummer: [nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. J.M. Lammers),

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

1. Verzoeker heeft op 9 februari 2026 een aanvraag ingediend tot verlenging van zijn gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA). Bij besluit van 18 maart 2026 heeft de minister de aanvraag van verzoeker afgewezen.

1.1.

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat de minister verzoeker gedurende de bezwaarprocedure behandelt alsof hij in het bezit is van de gevraagde vergunning, wat betekent dat verzoeker gedurende de bezwaarprocedure in Nederland mag verblijven en mag blijven werken voor zijn werkgever.

1.2.

Bij brief van 8 mei 2026 heeft de minister aangegeven zich niet te verzetten tegen de toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening.

1.3.

De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. Nu de minister heeft aangegeven zich niet te verzetten tegen de toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletselen ziet die zich tegen toewijzing van dit verzoek verzetten, zal de voorzieningenrechter dit verzoek toewijzen. Indien het bezwaar wordt ingetrokken of anderszins wordt beëindigd, zal deze voorlopige voorziening komen te vervallen.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en bepaalt dat verzoeker gedurende de bezwaarprocedure in Nederland mag verblijven en mag blijven werken voor zijn werkgever.

4.1.

Omdat het verzoek wordt toegewezen, moet de minister het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarnaast veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

  • bepaalt dat verzoeker gedurende de bezwaarprocedure in Nederland mag verblijven;

  • bepaalt dat verzoeker gedurende de bezwaarprocedure mag blijven werken voor zijn werkgever;

  • draagt de minister op het betaalde griffierecht van €200 aan verzoeker te vergoeden;

  • veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.