Vreemdelingenrecht

Verweerder verzet zich niet

Rechtbank Den Haag, 29 mei 2026

Zaakgegevens

Op 29 mei 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
29 mei 2026
Datum publicatie
29 mei 2026
Zaaknummer
AWB 25/15436
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:14261
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verweerder verzet zich niet

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 25/15436


uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 mei 2026 in de zaak tussen


[verzoeker]

[V-nummer]

(gemachtigde: mr. N.B. Swart),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoeker om een voorlopige voorziening.

1.1

Bij besluit van 4 augustus 2025 (primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning met als doel uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), afgewezen.

1.2

Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat verzoeker het besluit op het bezwaar in Nederland mag afwachten.

1.3

De minister heeft op 8 april 2026 per brief laten weten zich niet te verzetten tegen toewijzing van het verzoek.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. Nu de minister zich niet verzet tegen de toewijzing van de gevraagde voorziening en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletselen ziet om dit verzoek toe te wijzen, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen in die zin dat de minister verzoeker niet mag uitzetten totdat op het bezwaar is beslist.

4. Omdat het verzoek wordt toegewezen, krijgt verzoeker een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een

wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

  • gebiedt de minister om zich te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting buiten het grondgebied van Nederland van verzoeker en van voorbereidingen tot zodanige maatregelen, totdat op het bezwaar is beslist;

  • veroordeelt de minister in de proceskosten van € 934-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.S.G. van der Werf, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.