Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag · Voorlopige voorziening · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 4 juni 2026

Zaakgegevens

Op 4 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
4 juni 2026
Datum publicatie
4 juni 2026
Zaaknummer
NL25.4479
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:14984
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Plakvovo. Pkv.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.4479


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam 1] , verzoekster, geboren op [geboortedatum 1] ,V-nummer: [v-nummer 1] ,

mede namens haar minderjarige [naam 2] ,

geboren op: [geboortedatum 2] ,
V-nummer: [v-nummer 2] ,

beiden van Iraakse nationaliteit,
(gemachtigde: mr. H. Postma),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).

Samenvatting


1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van verzoekster.

1.1.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft de opvolgende asielaanvraag van verzoekster afgewezen als kennelijk ongegrond en een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaren.

2.1.

Verzoekster heeft beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Op het beroep wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.

2.2.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de behandeling van het beroep, op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, een tolk en de gemachtigde van de minister. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter


3. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan het beroep van verzoekster en het beroep gegrond verklaard. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.

3.1.

Gelet op de uitkomst van de bodemzaak veroordeelt de voorzieningenrechter de minister wel in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De voorzieningenrechter:

  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

  • veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van
    € 934,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl..

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:


Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Het beroep is geregistreerd onder nummer NL26.4478.