Vreemdelingenrecht

Vovo, verweerder verzet zich niet

Rechtbank Den Haag, 18 juni 2026

Zaakgegevens

Op 18 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
18 juni 2026
Datum publicatie
18 juni 2026
Zaaknummer
NL26.15755
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:16460
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vovo, verweerder verzet zich niet

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.15755


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen


[naam verzoeker],

[V-nummer verzoeker],

(gemachtigde: mr. H. Postma),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoeker om een voorlopige voorziening.

1.1.

Bij besluit van 9 maart 2026 (primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker om in Nederland te verblijven onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (2002/55EG), afgewezen.

1.2.

Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat verzoeker het besluit op het bezwaar in Nederland mag afwachten en dat hij in die periode recht heeft op opvang.

1.3.

De minister heeft op 20 mei 2026 per brief laten weten zich niet te verzetten tegen toewijzing van het verzoek.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. Nu de minister zich niet verzet tegen de toewijzing van de gevraagde voorziening voor zover dat strekt tot het in Nederland mogen afwachten van het besluit op bezwaar en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletselen ziet om dit verzoek toe te wijzen, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen in die zin dat de minister verzoeker niet mag uitzetten totdat op het bezwaar is beslist en verzoeker gedurende die periode recht heeft op opvang.

4. Omdat het verzoek wordt toegewezen, krijgt verzoeker een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een

wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

  • gebiedt de minister om zich te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting buiten het grondgebied van Nederland van verzoeker en van voorbereidingen tot zodanige maatregelen, totdat op het bezwaar is beslist;

  • bepaalt dat verzoeker totdat op het bezwaar is beslist, recht heeft op opvang;

  • veroordeelt de minister in de proceskosten van € 934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.S.G. van der Werf, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.