Vreemdelingenrecht
Vovo hangende bezwaar, minister verzet zich niet, toewijzen.
Rechtbank Den Haag, 16 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:16572 · Rechtbank Den Haag · 16 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2026-16572
Zaakgegevens
Op 16 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 16 juni 2026
- Datum publicatie
- 19 juni 2026
- Zaaknummer
- NL26.23670
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16572
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vovo hangende bezwaar, minister verzet zich niet, toewijzen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.23670
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 juni 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], v-nummer: [nummer], verzoeker
(gemachtigde: mr. E.C. Kaptein),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. Verzoeker is eerder in het bezit gesteld van een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA), met een geldigheidsduur van 1 september 2023 tot 1 september 2025. Op 1 augustus 2025 heeft verzoeker een aanvraag ingediend voor het verlengen van de geldigheidsduur van de GVVA-vergunning met als doel ‘Arbeid in loondienst’ bij zijn werkgever en tevens referent ‘[werkgever/referent]’. Met het besluit van 13 maart 2026 heeft de minister de aanvraag van verzoeker afgewezen.
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat hij hangende de bezwaarprocedure in zijn functie als kok arbeid mag verrichten voor zijn werkgever.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
4. Uit artikel 8:81 van de Awb volgt dat de voorzieningenrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen, als tegen een besluit bezwaar is gemaakt en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
5. Verzoeker heeft op 19 maart 2026 bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn aanvraag. Dit bezwaar schort de rechtsgevolgen van het besluit van 13 maart 2026 alleen niet op. Omdat verzoeker gedurende de behandeling van het bezwaar niet mag werken, heeft verzoeker spoedeisend belang bij de verzochte voorziening.
6. De minister heeft op 19 mei 2026 schriftelijk laten weten zich niet te verzetten tegen toewijzing van de voorlopige voorziening totdat op het bezwaarschrift is beslist. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening om deze reden toe.
Conclusie en gevolgen
7. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat verzoeker hangende de bezwaarprocedure arbeid voor referent mag verrichten.
Omdat het verzoek wordt toegewezen krijgt verzoeker een vergoeding voor de proceskosten die hij vanwege de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend, waarvoor gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht 1 punt wordt toegekend. Ook moet de minister het door verzoeker betaalde griffierecht van € 200,- vergoeden. Er zijn geen andere kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe;
- treft de voorlopige voorziening dat verzoeker gedurende de bezwaarprocedure arbeid voor referent mag verrichten;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker van € 934,-;
- bepaalt dat de minister het door verzoeker betaalde griffierecht van € 200,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.