Vreemdelingenrecht

Dublin, Oostenrijk, vovo toegewezen i.v.m. aanhouding beroepszaak.

Rechtbank Den Haag, 26 mei 2026

Zaakgegevens

Op 26 mei 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
26 mei 2026
Datum publicatie
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.16209
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:16589
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Dublin, Oostenrijk, vovo toegewezen i.v.m. aanhouding beroepszaak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.16209


uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 mei 2026 in de zaak tussen


[verzoekster], v-nummer: [nummer], verzoekster

(gemachtigde: mr. B. Anik),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).

Inleiding

1. Bij besluit van 23 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

1.1.

In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening dat verzoeker heeft ingediend hangende haar beroep tegen het bestreden besluit.

Overwegingen

2. De rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, kan, als tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

3. Uit het bestreden besluit volgt immers dat verzoekster de behandeling van het beroep tegen het bestreden besluit - waarin is bepaald dat de asielaanvraag van verzoekster niet in behandeling wordt genomen, omdat Oostenrijk daarvoor verantwoordelijk is - niet in Nederland mag afwachten. Verzoekster heeft dan ook een spoedeisend belang bij de verzochte voorziening.

4. Op 19 mei 2026 stond de mondelinge behandeling van deze zaak, tezamen met de zaak NL26.16208 gepland. Verzoekster, haar gemachtigde en de gemachtigde van de minister zijn daarbij verschenen.

5. De gemachtigde van verzoekster had voor de zitting een tolk gereserveerd, maar deze tolk heeft zich een dag voor de zitting afgemeld en is dus niet op zitting verschenen. Omdat verzoekster in de zittingszaal wenst te worden gehoord met een tolk, heeft de gemachtigde van verzoekster nog geprobeerd telefonisch een tolk te regelen. Er was echter geen tolk beschikbaar. Verzoekster heeft daarom verzocht om de hoofdzaak aan te houden. De gemachtigde van de minister heeft meegedeeld hiertegen geen bezwaar te hebben, mits het verzoek van verzoekster tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt toegewezen, dit vanwege de uiterste overdrachtsdatum. Verzoekster heeft hiermee ingestemd. De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien om het onderzoek in de hoofdzaak te schorsen.

7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van verzoekster om de behandeling van het beroep in Nederland te mogen afwachten zwaarder weegt dan het belang van de minister om haar op dit moment aan Oostenrijk te kunnen overdragen. Daarbij is van belang dat nu nog niet met zekerheid gezegd kan worden dat het beroep van verzoekster tegen het bestreden besluit van 23 maart 2026 voor het verstrijken van de uiterste overdrachtstermijn – op 14 juli 2026 – kan worden behandeld.

8. Toewijzing van het verzoek acht de voorzieningenrechter niet zeer ingrijpend. Hiermee wordt niet vooruitgelopen op de uitkomst van de bodemprocedure. Het niet treffen van de voorziening daarentegen kan leiden tot een situatie waarin verzoekster wordt overgedragen aan Oostenrijk. Het is niet uitgesloten dat dit voor verzoekster onomkeerbare gevolgen kan hebben.

9. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om de voorlopige voorziening toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoekster niet mag worden overgedragen aan Oostenrijk totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.

10. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om de voorlopige voorziening toe;

- treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoekster niet mag worden overgedragen aan Oostenrijk totdat is beslist op het beroep;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.C.L.J. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van Y. El Bouhassani, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Met zaaknummer NL26.16208. Op grond van artikel 8:81 van de Awb. Gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Nederland heeft bij Oostenrijk een verzoek om terugname gedaan. Oostenrijk heeft dit verzoek op 14 januari 2026 aanvaard. De hoofdzaak.