Vreemdelingenrecht

vovo hangende verzet, zitting verzet, toegewezen.

Rechtbank Den Haag, 18 juni 2026

Zaakgegevens

Op 18 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
18 juni 2026
Datum publicatie
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.33722
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:16616
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

vovo hangende verzet, zitting verzet, toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.33722


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen


[verzoeker] , verzoeker

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder

Inleiding

Bij besluit van 11 maart 2026 heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

De rechtbank heeft het door verzoeker ingestelde beroep bij uitspraak van 31 maart 2026 kennelijk ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij op grond van artikel 8:54 van de Awb (Awb) uitspraak gedaan zonder zitting.

Verzoeker heeft tegen deze uitspraak verzet ingediend.

Aan verzoeker is kenbaar gemaakt dat hij op 23 juni 2026 zal worden overgedragen aan Kroatië. Verzoeker heeft vervolgens om een voorlopige voorziening verzocht hangende dit verzet met het doel om niet te worden overgedragen en zijn verzet in Nederland te kunnen afwachten.

De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

1. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder het verzoek ter zitting te hebben behandeld, indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad.

2. Nu de overdracht van verzoeker aan Kroatië gepland staat op 23 juni 2026 is sprake van onverwijlde spoed. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om een zitting achterwege te laten.

3. Omdat verzoeker in zijn verzetschrift heeft aangegeven gehoord te willen worden, zal het door verzoeker ingediende verzet door deze rechtbank en zittingsplaats ter zitting worden behandeld. In artikel 8:55, vierde lid, van de Awb is namelijk het volgende bepaald:

“Alvorens uitspraak te doen op het verzet, stelt de bestuursrechter de indiener van het verzetschrift die daarom heeft gevraagd, in de gelegenheid op een zitting te worden gehoord, tenzij hij van oordeel is dat het verzet gegrond is.” De behandeling van het verzet ter zitting is bepaald op 13 augustus 2026.

4. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om een voorlopige voorziening toe.

5. De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoeker heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 934,- (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter

  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat overdracht van verzoeker achterwege blijft en alle rechtsgevolgen van het besluit van 11 maart 2026 wordt opgeschort tot de datum waarop de rechtbank uitspraak doet op het verzet.

  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-

Deze uitspraak is gedaan op 18 juni 2026 door mr. E.F. Bethlehem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

NL26.14985.