Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening hangende bezwaar, visum voor kort verblijf, geen sprake van bijzondere omstandigheden…
Rechtbank Den Haag, 23 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:17080 · Rechtbank Den Haag · 23 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2026-17080
Zaakgegevens
Op 23 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 23 juni 2026
- Datum publicatie
- 24 juni 2026
- Zaaknummer
- NL26.32068
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17080
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Voorlopige voorziening hangende bezwaar, visum voor kort verblijf, geen sprake van bijzondere omstandigheden, verzoek afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.32068
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juni 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], v-nummer: [nummer], verzoeker
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de minister van Buitenlandse Zaken.
Procesverloop
1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 5 februari 2026 afgewezen.
Verzoeker heeft op 17 februari 2026 tegen de afwijzing van de aanvraag bezwaar gemaakt.
Verzoeker heeft op 8 juni 2026 de voorzieningenrechter verzocht om hangende dit bezwaar een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt om hem gedurende de behandeling van de bezwaarprocedure te behandelen als ware hij in bezit van een visum kort verblijf. Verzoeker wil graag aanwezig zijn bij de in juli 2026 geplande medische ingreep van zijn in Nederland wonende minderjarige zoon.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting, omdat onverwijlde spoed dit vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit beroep is ingesteld en onverwijlde spoed dit, gelet op de betrokken belangen, vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de beroepsprocedure niet.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
3. Verzoeker voert aan dat hij spoedeisend belang heeft bij de verzochte voorlopige voorziening omdat zijn in Nederland wonende minderjarige zoon in juli 2026 een medische ingreep ondergaat. Ook staat op 25 juni 2026 de vlucht van verzoeker naar Nederland gepland. Omdat de beslissing op bezwaar niet te verwachten is vóór 25 juni 2026 is het spoedeisende belang gegeven.
Waarom is de aanvraag afgewezen?
4. De minister heeft de aanvraag van verzoeker afgewezen omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond, omdat verzoeker niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken en omdat er redelijke twijfel bestaat over eisers voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
Moet verzoeker worden beschouwd als ware hij in het bezit van een visum kort verblijf?
5. Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter om te bepalen dat hij wordt beschouwd als ware hij in het bezit van een visum voor kort verblijf of anderszins een voorziening te treffen die hem feitelijk de toegang tot Nederland mogelijk maakt. Verzoeker geeft daarbij aan dat zijn zoon in juli 2026 een medische ingreep zal ondergaan en dat de aanwezigheid van verzoeker in die periode van groot belang is voor zowel zijn zoon als diens moeder. Verzoeker vervult niet alleen een wezenlijke ouderlijke rol binnen het gezin, maar wil ook betrokken zijn bij medische besluitvorming. Volgens verzoeker heeft de minister onvoldoende gewicht toegekend aan de belangen en rechten van zijn zoon als kind en Nederlands staatsburger.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat toewijzing van het verzoek om verzoeker te behandelen als ware hij in het bezit van een visum kort verblijf feitelijk een voorlopig karakter ontbeert. Uit het systeem van de toepasselijke voorschriften volgt dat een vreemdeling in zijn land van herkomst een visum voor kort verblijf moet aanvragen, alvorens hij de Europese Unie (waaronder Nederland) kan inreizen. Indien de verzochte voorlopige voorziening wordt toegewezen, zal verzoeker Nederland kunnen inreizen, zodat de feitelijke situatie ontstaat die verzoeker met zijn aanvraag heeft beoogd, terwijl de minister nog niet op het bezwaar heeft beslist. De gevolgen van toewijzing van de voorlopige voorziening zijn dan onomkeerbaar. In zeer bijzondere omstandigheden kan niettemin aanleiding bestaan om te bepalen dat de minister een aanvrager gedurende de bezwaarprocedure dient te beschouwen als ware hij in het bezit van een visum. De voorzieningenrechter zal daarom beoordelen of sprake is van zeer bijzondere omstandigheden.
Hoewel de voorzieningenrechter het begrijpelijk acht dat verzoeker graag bij de medische ingreep van zijn minderjarige zoon aanwezig wilt zijn, is niet gebleken dat sprake is van een zodanig bijzondere omstandigheid dat het daardoor gerechtvaardigd is om een voorlopige voorziening met onomkeerbare gevolgen toe te wijzen. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat de minderjarige zoon van verzoeker in Nederland woonachtig is samen met zijn moeder. De moeder kan gedurende de medische behandeling aanwezig zijn bij de minderjarige zoon en hem gedurende het medische traject begeleiden. De stelling van verzoeker dat zijn aanwezigheid tijdens de medische behandeling van groot belang is, is niet verder onderbouwd en volgt de voorzieningenrechter dan ook niet. De stelling van verzoeker dat hij als gezaghebbende ouder betrokken dient te worden bij de medische besluitvorming volgt de voorzieningenrechter ook niet. Immers heeft verzoeker altijd op afstand gewoond van zijn minderjarige zoon en diens moeder en kan verzoeker ook op afstand betrokken worden bij de medische besluitvorming.
De voorzieningenrechter ziet ook verder geen grond voor het oordeel dat het weigeringsbesluit onvoldoende is gemotiveerd. Verzoeker stelt hierover dat de minister in dat besluit de belangen en rechten van het kind onvoldoende heeft gewogen en dat hij heeft nagelaten nader onderzoek te doen naar de afhankelijkheidsrelatie tussen verzoeker en minderjarige zoon en de gevolgen van de weigering van het visum voor de zoon. Daarnaast zou de minister onvoldoende onderzoek hebben gedaan naar het gezinsleven en zijn de arresten Chavez-Vilchez en K.A. niet kenbaar bij de beoordeling hebben betrokken. Verzoeker heeft daarmee echter niet onderbouwd dat en waarom de weigeringsgronden waarop de minister de visumaanvraag van verzoeker heeft afgewezen onjuist zouden zijn.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.