Vreemdelingenrecht

Verzoek om een voorlopige voorziening. Asiel. Geen schorsende werking wegens te late indiening. Verzoek afgewezen.

Rechtbank Den Haag, 30 juni 2026

Zaakgegevens

Op 30 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
30 juni 2026
Datum publicatie
2 juli 2026
Zaaknummer
NL26.13633
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:17897
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om een voorlopige voorziening. Asiel. Geen schorsende werking wegens te late indiening. Verzoek afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.13633


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen


[verzoeker] , verzoeker

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.H.T. van Boxmeer),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

In het besluit van 3 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker afgewezen.

Verzoeker heeft beroep (NL26.13632) ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om met voorrang op het verzoek om een voorlopige voorziening te beslissen.

Verweerder heeft op verzoek van de voorzieningenrechter een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Verzoeker is geboren op [geboortedag] 2001 en heeft de Iraakse nationaliteit. Hij heeft op 9 februari 2024 asiel aangevraagd in Nederland.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder verzoekers asielaanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 zoals dat luidde tot 12 juni 2026. Op 11 maart 2026 heeft verzoeker daartegen beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening.

3. Op 26 juni 2026 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om met voorrang op het verzoek om een voorlopige voorziening te beslissen, omdat het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) hem in een brief van diezelfde datum heeft aangezegd dat zijn opvangvoorzieningen met ingang van 1 juli 2026 zullen worden beëindigd. Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter te bepalen dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten en dat hij daarbij gebruik mag blijven maken van opvangvoorzieningen.

4. Verweerder heeft op verzoek van de voorzieningenrechter op 29 juni 2026 een verweerschrift uitgebracht. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen, omdat het betrekking heeft op een beroep dat vanwege te late indiening niet-ontvankelijk moet worden verklaard.


De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

5. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.

6. Aangezien verzoeker op zeer korte termijn is aangezegd dat zijn opvangvoorzieningen zullen worden beëindigd, is de vereiste onverwijlde spoed gegeven. Dit biedt de voorzieningenrechter gelet op artikel 8:83, vierde lid, van de Awb de mogelijkheid om buiten zitting uitspraak te doen.

7. Een asielzoeker die tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag tijdig beroep instelt en een verzoek om een voorlopige voorziening doet, mag de behandeling daarvan met gebruikmaking van opvangvoorzieningen in Nederland afwachten. Dit volgt uit de artikelen 7.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 zoals die luidden tot 12 juni 2026.

8. Dit is niet op verzoeker van toepassing. Met verweerder stelt de voorzieningenrechter namelijk vast dat verzoeker niet binnen de daarvoor geldende termijn van een week beroep heeft ingesteld tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. De gronden van het verzoek geven geen aanleiding om alsnog te bepalen dat verzoeker wegens bijvoorbeeld een bijzondere kwetsbaarheid toegang zou moeten houden tot opvangvoorzieningen.

9. Omdat er geen zitting heeft plaatsgevonden, kan de voorzieningenrechter geen opvolging geven aan het verzoek van verweerder om met toepassing van artikel 8:86 van de Awb in deze uitspraak meteen ook het beroep af te doen. De voorzieningenrechter verwijst echter naar de afzonderlijke uitspraak van vandaag in de zaak met nummer NL26.13632 waarin het beroep buiten zitting wordt afgedaan.

10. De conclusie is dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan op 30 juni 2026 door mr. K.M. de Jager, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.