Vreemdelingenrecht

Voorlopige voorziening niet connex want geen beroep ingesteld.

Rechtbank Den Haag, 18 juni 2026

Zaakgegevens

Op 18 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
18 juni 2026
Datum publicatie
10 juli 2026
Zaaknummer
AWB 26/2097
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:19061
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Voorlopige voorziening niet connex want geen beroep ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 26/2097


uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker 1] als wettelijk vertegenwoordiger van [verzoeker 2], uit [plaats] , verzoeker,

V-nummer: [V-nummer]


en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.

2. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De minister heeft de aanvraag van verzoeker om een verblijfsvergunning voor

zijn zoon [verzoeker 2] (zoon), afgewezen op 16 juni 2025. Met het besluit van 20 januari 2026 op het bezwaar van verzoeker is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven (hierna: het besluit).

4. Verzoeker heeft vervolgens een voorlopige voorziening ingediend met het verzoek om te bepalen dat zijn zoon in Nederland mag blijven tot vier weken na de uitspraak op het beroep.

5. Wil een verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk zijn, dan moet er ook een bezwaar- of beroepsprocedure (bodemprocedure) aanhangig zijn. Het vereiste dat sprake moet zijn van een bodemprocedure wordt het connexiteitsvereiste genoemd. Alleen als zo’n bodemprocedure loopt beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek inhoudelijk.

6. Uit het verzoekschrift blijkt niet dat verzoeker beroep heeft ingesteld tegen het besluit. Weliswaar schrijft verzoeker in de toelichting van 22 januari 2026 dat het gaat om een verzoek ‘hangende het beroep tegen het besluit van de IND van 20 januari 2026’, maar de rechtbank heeft niet vast kunnen stellen dat een dergelijk beroep daadwerkelijk is ingesteld. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat verzoeker geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit. In deze zaak wordt er dus niet voldaan aan het zogenoemde connexiteitsvereiste.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Hoogenberk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Het vereiste van het aanhangig zijn van een bodemprocedure (connexiteitsvereiste) valt af te leiden uit artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.