Vreemdelingenrecht

Verzetmeniet, vovo, toegewezen

Rechtbank Den Haag, 22 juli 2026

Zaakgegevens

Op 22 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
22 juli 2026
Datum publicatie
24 juli 2026
Zaaknummer
NL26.7449
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:20714
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzetmeniet, vovo, toegewezen

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL26.7449

V-nummer: [v-nummer]


uitspraak van voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] ,

geboren op [geboortedag] 1943, van Ghanese nationaliteit, verzoekster

(gemachtigde: mr. L.T.M. Hooijmans),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

1. Bij besluit van 13 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoekster voor een verblijfsvergunning afgewezen. Op 10 februari 2026 heeft verzoekster tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat zij niet wordt uitgezet totdat de minister op het bezwaar heeft beslist.

2. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awbuitspraak zonder zitting.

Overwegingen

3. Verzoekster heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.

4. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

5. Op 20 juli 2026 heeft de minister de voorzieningenrechter laten weten dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat in de bezwaarprocedure van uitzetting van verzoekster moet worden afgezien. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen als kennelijk gegrond en de uitzetting te verbieden tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist.

7. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze proceskosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,-

(1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat de minister wordt verboden verzoekster uit te zetten tot vier weken nadat op het bezwaarschrift is beslist;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Algemene wet bestuursrecht. Besluit proceskosten bestuursrecht.