Vreemdelingenrecht

Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Verzoeker heeft een verblijfssticker met daarin de…

Rechtbank Den Haag, 27 juli 2026

Zaakgegevens

Op 27 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
27 juli 2026
Datum publicatie
3 augustus 2026
Zaaknummer
NL26.19346
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21610
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Verzoeker heeft een verblijfssticker met daarin de arbeidsmarktaantekening ‘arbeid niet toegestaan’. Hij heeft de voorzieningenrechter gevraagd om te bepalen dat hij mag werken. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om dit te doen. De verblijfssticker is namelijk niet langer geldig.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.19346


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen


[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. J.C.M. van Oort),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.1.

Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

1.2.

Met het bestreden besluit van 26 maart 2026 heeft de minister aan verzoeker een verblijfssticker verstrekt met daarin de arbeidsmarktaantekening ‘arbeid niet toegestaan’. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Verder heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd om te bepalen dat hij mag werken.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Aan verzoeker is op 26 maart 2026 een verblijfssticker verstrekt. Hierop staat dat uitzetting achterwege blijft totdat is beslist op het verzoek om een voorlopige voorziening. Dit verzoek is ingediend op 16 december 2025. De verblijfssticker is geldig tot

26 september 2026, tenzij voor deze datum op voormelde voorlopige voorziening is beslist.

2.1.

In de uitspraak van 22 juni 2026 is beslist op het verzoek om een voorlopige voorziening. In die uitspraak is het verzoek afgewezen. Nu op de voorlopige voorziening is beslist, is de verblijfssticker niet langer geldig. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding om de gevraagde voorziening, dat het verzoeker wordt toegestaan om te mogen werken, toe te wijzen.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 27 juli 2026

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Het gaat hier om het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL25.61666. ECLI:NL:RBDHA:2026:20167.