Vreemdelingenrecht
Samenvatting Danso Verzet me niet, toewijzen vovo.
Rechtbank Den Haag, 12 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:22634 · Rechtbank Den Haag · 12 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2026-22634
Zaakgegevens
Op 12 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 12 augustus 2026
- Datum publicatie
- 13 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL26.22129
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22634
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Samenvatting Danso
Verzet me niet, toewijzen vovo.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.22129 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker]
geboren op [geboortedag] 1999, van Gambiaanse nationaliteit, verzoeker
(gemachtigde: mr. S. Petkovic),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. S. de Vries).
Procesverloop
1. Verzoeker heeft een aanvraag gedaan tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER op grond van het arrest Chavez-Vilchez voor verblijf bij zijn zoon [persoon] , die de Nederlandse nationaliteit heeft.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 16 maart 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en mag het bezwaar tegen dit besluit niet in Nederland afwachten.
Verzoeker heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. In het verzoek heeft verzoeker verzocht om de rechtsgevolgen van het besluit op te schorten en te bepalen dat verzoeker zijn bezwaar in Nederland mag afwachten. De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awbuitspraak zonder zitting.
Overwegingen
2. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.
3. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. Op 10 augustus 2026 heeft de minister aan de voorzieningenrechter laten weten dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening omdat er aanleiding bestaat om nader onderzoek te verrichten in de vorm van een hoorzitting.
5. Tussen partijen is niet in geschil dat in de bezwaarprocedure van uitzetting van verzoeker moet worden afgezien. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen als kennelijk gegrond en de uitzetting te verbieden tot op het bezwaar is beslist. Als het bezwaar wordt ingetrokken of anderszins wordt beëindigd, zal deze voorlopige voorziening komen te vervallen.
6. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze proceskosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,-
(1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat de minister wordt verboden verzoeker uit te zetten tot op het bezwaarschrift is beslist;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.