Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag · Voorlopige voorziening · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 20 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 20 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
20 augustus 2026
Datum publicatie
20 augustus 2026
Zaaknummer
NL26.20079
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:23389
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vovo.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.20079


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. F. Boone),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. N.F. van der Gouw).


Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.


Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (geregistreerd onder zaaknummer NL26.20078). Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek, tezamen met de zaak NL26.20078, op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is niet verschenen. De rechtbank heeft de behandeling van het beroep op 16 juli 2026 aangehouden.

Op 16 juli 2026 heeft de rechtbank aan verweerder gevraagd om te reageren op de aangevoerde beroepsgronden van eiser. Verweerder heeft op 30 juli 2026 hierop gereageerd. Eiser heeft hierop gereageerd op 17 augustus 2026. Vervolgens heeft verweerder op 17 augustus 2026 opnieuw een verweer ingediend en daarbij nieuwe stukken overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd op 18 augustus 2026.

Overwegingen

1. Bij bericht van 20 augustus 2026 heeft de rechtbank aan partijen laten weten dat zij zich beraadt op een eventuele verwijzing van de zaak NL26.20078 naar een meervoudige kamer. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding om het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter weegt hierbij mee dat verzoeker er belang bij heeft om niet te worden overgedragen voordat op zijn beroep is beslist. Ook weegt mee dat als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen, de uiterste overdrachtstermijn waarschijnlijk verstrijkt voordat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep.

2. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om voorlopige voorziening toe en bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Kroatië totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.

3. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Kroatië totdat is beslist op het beroep;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 20 augustus 2026

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.