Vreemdelingenrecht

Dublin Spanje, verzoek afgewezen, proceskostenvergoeding

Rechtbank Den Haag, 7 juli 2026

Zaakgegevens

Op 7 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
7 juli 2026
Datum publicatie
7 september 2026
Zaaknummer
NL26.28691 en NL26.28693
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:25893
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Dublin Spanje, verzoek afgewezen, proceskostenvergoeding

Uitspraak

uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.28691 en NL26.28693

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen [verzoeker 1] , V-nummer: [V-nummer 1] ,

[verzoekster] , V-nummer: [V-nummer 2] , mede namens hun minderjarige kinderen [verzoeker 2] , V-nummer: [V-nummer 3] en [verzoeker 3] , V-nummer: [V-nummer 4] , verzoekers

(gemachtigde: mr. M.C.W. van der Zanden), en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).

Procesverloop

Bij besluiten van 21 mei 2026 (de bestreden besluiten) heeft de minister de aanvragen van verzoekers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroepen ingesteld. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen.

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken, samen met de zaken NL26.28690 en NL26.28692, op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van verzoekers. Als tolk is verschenen B. Naseh. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL26.28690 en NL26.28692, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op de beroepen. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om die reden af.

2. Gelet op de uitkomst van de bodemzaak veroordeelt de voorzieningenrechter de minister wel in de door verzoekers gemaakte proceskosten. De rechtbank beschouwt de ingestelde verzoeken als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het

Besluit proceskosten bestuursrecht, omdat de verzoeken tezamen zijn behandeld, de rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon en de werkzaamheden voor de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Omdat het gaat om samenhangende zaken, beschouwt de rechtbank de verzoeken als één zaak. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af;

  • veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

07 juli 2026

[afbeelding niet beschikbaar]

Documentcode: [documentcode]

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.