Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag · Voorlopige voorziening · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 16 september 2026

Zaakgegevens

Op 16 september 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
16 september 2026
Datum publicatie
16 september 2026
Zaaknummer
NL26.29917
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:26971
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Dublin, Duitsland

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.29917

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen


[naam] , verzoeker,

geboren op [geboortedatum]

van Algerijnse nationaliteit,

V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),

en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. De minister heeft op 28 mei 2026 de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

1.1.

Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

1.2.

De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Aissa, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

NL26.29916. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.