Vreemdelingenrecht
Verzoek om voorlopige voorziening - geen opvang COa - verzoekster heeft een reguliere verblijfsvergunning en…
Rechtbank Den Haag, 2 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:29852 · Rechtbank Den Haag · 2 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2026-29852
Zaakgegevens
Op 2 september 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 2 september 2026
- Datum publicatie
- 9 oktober 2026
- Zaaknummer
- AWB 26/14461
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:29852
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek om voorlopige voorziening - geen opvang COa - verzoekster heeft een reguliere verblijfsvergunning en is daarmee in beginsel aangewezen op voorzieningen die de gemeente verstrekt - verzoek afgewezen
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 26/14461
uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 september 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , V-nummer: [v-nummer] , verzoekster
(gemachtigde: B. Geldermans),
en
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder
(gemachtigde: mr. L.A. van Els-van den Berg).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster hangende haar beroep tegen de beëindiging van de opvang door verweerder.
Verweerder heeft op 13 augustus 2026 de opvangvoorzieningen beëindigd.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter kan uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. Na kennisname van de stukken en gelet op de mededeling van de gemachtigde van verzoekster dat de tijdelijke opvang door het Rode Kruis op 3 september 2026 wordt stopgezet, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoekster heeft een reguliere verblijfsvergunning bij haar partner die geldig is tot 26 mei 2030. Verzoekster heeft haar relatie en samenwoning gestopt omdat haar partner haar verwaarloosde en een relatie had met een andere vrouw. Zij heeft bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) melding gemaakt van de verbreking van haar relatie, maar de IND is vooralsnog geen intrekkingsprocedure gestart. Verzoekster heeft op 11 augustus 2026 een asielaanvraag ingediend, omdat zij verwacht bij terugkeer naar Eritrea gevaar te lopen. Vervolgens heeft verzoekster tot 13 augustus 2026 opvang gehad op het aanmeldcentrum in Ter Apel. Op 13 augustus 2026 heeft verweerder aan verzoekster medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor opvang, omdat zij een reguliere verblijfsvergunning heeft. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen deze mededeling en verzoekt de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen waarin wordt bepaald dat verweerder opvang aan verzoekster moet verstrekken tot vier weken na de uitspraak op het beroep.
Wat vindt verzoekster?
3. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat zij recht heeft op opvang omdat zij een asielaanvraag heeft ingediend en dat hiervoor niet relevant is dat zij al een verblijfsvergunning heeft. Als asielzoeker heeft zij recht op materiële opvangvoorzieningen als bedoeld in artikel 19 van de Opvangrichtlijn en de voorzieningen die de gemeente biedt zijn niet toereikend om hieraan te voldoen. Wat betreft het spoedeisend belang voert verzoekster aan dat zij nu door het Rode Kruis wordt opgevangen in een hotel, maar dat dit eindigt op donderdag 3 september 2026. Hierna zal verzoekster op straat belanden. Verzoekster heeft bovendien een geschiedenis van traumatische ervaringen en heeft psychische klachten.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
4. De voorzieningenrechter merkt de mededeling van verweerder van 13 augustus 2026 aan als een met een beschikking gelijk te stellen feitelijke handeling in de zin van artikel 5, tweede lid, van de Wet COa. Hiertegen staat rechtstreeks beroep open bij de bestuursrechter. Wanneer beroep is ingesteld bij de bestuursrechter, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechter in de bodemprocedure niet.
5. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om spoedeisend belang aan te nemen omdat verzoekster tot 3 september 2026 opvang geniet via het Rode Kruis, maar daarna onduidelijk is waar zij kan verblijven en zij mogelijk op straat zal komen te staan.
Hoewel verzoekster een asielzoeker is, heeft zij een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en daarmee rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000). Verzoekster is daarmee in beginsel aangewezen op voorzieningen die de gemeente verstrekt en niet op voorzieningen die verweerder verstrekt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft geoordeeld dat dit niet in strijd is met de Opvangrichtlijn, omdat ook met het recht op voorzieningen die de gemeente verstrekt voldaan wordt aan de verplichting om materiële opvangvoorzieningen te bieden. Dit oordeel is nog gebaseerd op de oude versie van de Opvangrichtlijn (Richtlijn 2013/33/EU). Op 12 juni 2026 is deze richtlijn ingetrokken en vervangen door de huidige versie van de Opvangrichtlijn (Richtlijn (EU) 2024/1346). In artikel 19 van de huidige Opvangrichtlijn is – voor zover hier relevant – bepaald dat de lidstaten ervoor zorgen dat voor verzoekers materiële opvangvoorzieningen beschikbaar zijn vanaf het moment dat zij hun verzoek om internationale bescherming doen. De lidstaten zorgen ervoor dat de materiële opvangvoorzieningen en de gezondheidszorg voor verzoekers een levensstandaard bieden die hun bestaansmiddelen garandeert, hun fysieke en geestelijke gezondheid beschermt en hun rechten uit hoofde van het Handvest eerbiedigt. De voorzieningenrechter overweegt dat deze bewoording in essentie niet verschilt van artikel 17 van de oude Opvangrichtlijn. Met het recht op voorzieningen die de gemeente verstrekt, wordt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook in beginsel voldaan aan de in artikel 19 van de Opvangrichtlijn neergelegde verplichting om materiële opvangvoorzieningen te bieden.
Voor zover verzoekster stelt dat de gemeente niet voldoet aan haar verplichtingen om te voorkomen dat verzoekster in een situatie beneden de menselijke waardigheid komt, overweegt de voorzieningenrechter dat verzoekster zich hiervoor tot de gemeente moet wenden en zo nodig rechtsmiddelen kan indienen tegen besluiten die de gemeente in dat verband al dan niet neemt.
Conclusie en gevolgen
6. Gelet op het voorgaande is de beëindiging van de opvang door verweerder, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, niet onrechtmatig.
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.