Vreemdelingenrecht

Verzoek om voorlopige voorziening over verblijfssticker toestaan arbeid als zelfstandige. Kennelijk gegrond…

Rechtbank Den Haag, 21 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 21 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
21 oktober 2026
Datum publicatie
22 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.59421
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:31076
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om voorlopige voorziening over verblijfssticker toestaan arbeid als zelfstandige. Kennelijk gegrond (onbestreden). Minister moet sticker direct afgeven en proceskosten vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

Zaaknummer: NL26.59421


V-nummer: [V-nummer]


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , geboren op [geboortedag] 1996, van Russische nationaliteit, verzoeker

(gemachtigde: mr. Isa van Krimpen),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker

1.1.

De minister heeft op 1 oktober 2026 een verblijfssticker in het paspoort van verzoeker geplaatst met de arbeidsmarktaantekening ‘arbeid wel toegestaan; tewerkstellingsvergunning wel vereist’.

1.2.

Verzoeker heeft op 6 oktober 2026 gemaakt tegen de afgegeven arbeidsmarktaantekening. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om hangende het bezwaar een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt de minister op te dragen haar per direct een verblijfssticker te verlenen met de arbeidsmarktaantekening ‘arbeid als zelfstandige toegestaan, arbeid in loondienst alleen toegestaan met tewerkstellingsvergunning’.

1.3.

Bij brief van 16 oktober 2026 heeft de minister de voorzieningenrechter laten weten zich niet te verzetten tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening.

1.4.

Omdat het verzoek kennelijk gegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. Nu de minister zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorziening en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletselen ziet om dit verzoek toe te wijzen, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen als kennelijk gegrond.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek is kennelijk gegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat de minister aan verzoeker per direct een verblijfssticker met de arbeidsmarktaantekening ‘arbeid als zelfstandige toegestaan, arbeid in loondienst alleen toegestaan met tewerkstellingsvergunning’ dient af te geven.

5. Omdat het verzoek wordt toegewezen, moet de minister het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarnaast krijgt verzoeker een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • wijst het verzoek toe;

  • treft de voorlopige voorziening dat de minister aan verzoeker een verblijfssticker met de arbeidsmarktaantekening ‘arbeid als zelfstandige toegestaan, arbeid in loondienst alleen toegestaan met tewerkstellingsvergunning’ afgeeft;

  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;

  • veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. El Ouahabi, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrechter (Awb).