Vreemdelingenrecht
plakvovo, gegrond beroep, pkv
Rechtbank Den Haag, 17 februari 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:3108 · Rechtbank Den Haag · 17 februari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2026-3108
Zaakgegevens
Op 17 februari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 17 februari 2026
- Datum publicatie
- 18 februari 2026
- Zaaknummer
- NL25.56008
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3108
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
plakvovo, gegrond beroep, pkv
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56008
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam] , verzoekster,
V-nummer: 2863560428,
(gemachtigde: mr. I.M. Hidding),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.E. Geçer).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening houdt verband met het beroep tegen de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van verzoekster. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. Zij heeft daartegen ook beroep ingesteld.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Verzoekster heeft een opvolgende aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 november 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de behandeling van de NL25.56007, op 6 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, bijgestaan door een tolk, en de gemachtigden van verzoekster en de minister
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.56007, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep, het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit van 13 november 2025 vernietigd. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
Gelet op de uitkomst van de bodemzaak veroordeelt de voorzieningenrechter de minister wel in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
-
wijst het verzoek af;
-
veroordeelt de minister tot betaling van een bedrag van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Aissa, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.