Vreemdelingenrecht

Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk, omdat bij eerdere uitspraak van 5 februari 2026 het…

Rechtbank Den Haag, 19 februari 2026

Zaakgegevens

Op 19 februari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
19 februari 2026
Datum publicatie
19 februari 2026
Zaaknummer
NL25.39075
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:3262
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk, omdat bij eerdere uitspraak van 5 februari 2026 het beroep gegrond is verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.39075


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. W.M.A. van Hoof).

Procesverloop

1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 14 augustus 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

1.1.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de behandeling van de beroepszaak NL25.39074, op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, S. Rezaie als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij mondelinge uitspraak van 5 februari 2026, zaaknummer NL25.39074, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep en dit gegrond verklaard. De gevraagde voorlopige voorziening is daarom niet meer mogelijk. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek daarom niet-ontvankelijk.

2.1.

De voorzieningenrechter ziet, gelet op de gegrondverklaring van het beroep, aanleiding om de minister te veroordelen in de door verzoeker gemaakte kosten voor de door een derde verleende rechtsbijstand. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de minister tot betaling van een bedrag van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens - Kleijn, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

19 februari 2026

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.