Vreemdelingenrecht

Na behandeling van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening op de zitting van 9 december 2025…

Rechtbank Den Haag, 6 januari 2026

Zaakgegevens

Op 6 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
6 januari 2026
Datum publicatie
24 februari 2026
Zaaknummer
NL25.53325
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:3630
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Na behandeling van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening op de zitting van 9 december 2025 hebben de rechtbank en de voorzieningenrechter op 18 december 2025 samen uitspraak gedaan. Daarbij heeft de rechtbank het beroep

ongegrond verklaard en de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Nadien is gebleken dat verzoeker op 18 december 2025 zijn verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingetrokken. De voorzieningenrechter verklaart - ambtshalve - zijn uitspraak van 18 december 2025 vervallen. Dit betekent dat die uitspraak wordt geacht niet te zijn gedaan.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.53325


uitspraak van de voorzieningenrechter tot vervallenverklaring van de uitspraak van 18 december 2025, NL25.53325, en op het verzoek om een proceskostenveroordeling in de zaak tussen


[verzoeker] , verzoeker

V-nummer: [#] ,

(gemachtigde: mr. E.R. Coene),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: F.H. van Zanden).

Inleiding

1. Met zijn besluit van 29 oktober 2025 heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen omdat Duitsland daarvoor verantwoordelijk wordt geacht. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen dit besluit en tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. Het beroep heeft zaaknummer NL25.53324 gekregen, het verzoek om voorlopige voorziening zaaknummer NL25.53325.

2. Na behandeling van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening op de zitting van 9 december 2025 hebben de rechtbank en de voorzieningenrechter op 18 december 2025 samen uitspraak gedaan. Daarbij heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard en de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Deze uitspraak heeft beide hiervoor genoemde zaaknummers.

3. Nadien is gebleken dat verzoeker op 18 december 2025 zijn verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingetrokken.

Overwegingen van de voorzieningenrechter over de vervallenverklaring

4. Uit het digitale dossier blijkt dat de gemachtigde van verzoeker op 18 december 2025, ’s ochtends vroeg, een bericht in dit dossier heeft geplaatst waarin zij verklaart het verzoek om voorlopige voorziening met zaaknummer NL25.53325 in te trekken. De voorzieningenrechter heeft dit bericht niet gezien en diezelfde dag, 18 december 2025, ’s middags, uitspraak gedaan. Dit was na de intrekking.

5. De voorzieningenrechter moet achteraf constateren dat deze uitspraak ten onrechte is gedaan. Als er geen verzoek om voorlopige voorziening meer aanhangig is, kan daar natuurlijk geen uitspraak over worden gedaan. De voorzieningenrechter verklaart daarom - ambtshalve - zijn uitspraak van 18 december 2025, met zaaknummer NL25.53325, vervallen. Dit betekent dat die uitspraak wordt geacht niet te zijn gedaan. Omdat er geen verzoek om voorlopige voorziening meer aanhangig is, hoeft de voorzieningenrechter geen nieuwe uitspraak te doen.

Overwegingen van de voorzieningenrechter over het verzoek om een proceskostenveroordeling

6. Verzoeker heeft tegelijk met de intrekking van zijn verzoek om voorlopige voorziening verzocht om verweerder te veroordelen in zijn proceskosten. Over dat verzoek zal de voorzieningenrechter nu meteen een beslissing nemen.

7. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de verzoeker is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de verzoeker dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.

8. Verzoeker heeft noch de intrekking van zijn verzoek om voorlopige voorziening noch zijn verzoek om een proceskostenveroordeling toegelicht. Verweerder heeft desgevraagd bericht zich te verzetten tegen een proceskostenveroordeling en daarbij verwezen naar de uitspraak van 18 december 2025.

9. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat verweerder op een of andere manier aan verzoeker is tegemoetgekomen. Hij wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling daarom af.

10. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart zijn uitspraak van 18 december 2025, met zaaknummer NL25.53325, vervallen.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.V. Kostiouk, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Dit is geregeld in de artikelen 8:75a en 8:84, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit is geregeld in artikel 8:83, derde lid, van de Awb.