Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag · Voorlopige voorziening · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 17 februari 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:4719 · Rechtbank Den Haag · 17 februari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2026-4719
Zaakgegevens
Op 17 februari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 17 februari 2026
- Datum publicatie
- 9 maart 2026
- Zaaknummer
- NL25.15413
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4719
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
VK, vovo bij beroep.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.15413
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster] , V-nummer: [V-nummer] , verzoekster
geboren op [geboortedatum 1] 1997,
V-nummer: [V-nummer] ,
mede namens haar minderjarige kinderen,
[minderjarige 1] en [minderjarige 2]
geboren op [geboortedatum 2] 2020 en [geboortedatum 3] 2023,
V-nummers: [V-nummer] en [V-nummer] ,
allen van Somalische nationaliteit
(gemachtigde: mr. M. Wiersma),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. S.H.J. Muijlkens).
Procesverloop
Verzoekster heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor haarzelf en haar minderjarige kinderen met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referente] ’.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 22 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 19 maart 2025 op het bezwaar van verzoekster is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de zaak NL25.15412, op
25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster,
[referente] (de minderjarige dochter van verzoekster en referente), de gemachtigde van verzoekster, A. Ikar (tolk) en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Verzoekster is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
3. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.15412, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep en het beroep gegrond verklaard. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
4. Gelet op de uitkomst van de beroepsprocedure veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
-
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
-
veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van
€ 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.C. Hummel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2026.