Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag · Voorlopige voorziening · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 13 januari 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:491 · Rechtbank Den Haag · 13 januari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2026-491
Zaakgegevens
Op 13 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 13 januari 2026
- Datum publicatie
- 13 januari 2026
- Zaaknummer
- NL24.47985
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:491
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
plakvovo
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.47985
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A. Khalaf),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).
Procesverloop
1. Verzoeker heeft op 24 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘arbeid als zelfstandige’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 28 november 2024 afgewezen. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Met het bestreden besluit van 12 juni 2025 op het bezwaar van verzoeker is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met het beroep, op 15 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser, mr. N. Imminga, en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.