Vreemdelingenrecht

Vovo Verweerder verzet zich niet

Rechtbank Den Haag, 12 maart 2026

Zaakgegevens

Op 12 maart 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
12 maart 2026
Datum publicatie
13 maart 2026
Zaaknummer
NL25.36978
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:5289
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vovo Verweerder verzet zich niet

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.36978


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen


[naam verzoeker] , verzoeker,

geboren op [geboortedatum verzoeker]

van [land] nationaliteit,

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J. Singh),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening.

1.1.

In het (primaira) besluit van 6 augustus 2025 heeft de minister verzoekers aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen.

1.2

Op 7 augustus 2025 heeft verzoeker hiertegen bezwaar gemaakt.

1.3

Bij verzoekschrift van 7 augustus 2025 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het bezwaar is beslist.

1.4

Bij brief van 26 februari 2026 heeft de minister de voorzieningenrechter bericht zich niet te verzetten tegen toewijzing van de gevraagde voorziening.

Beoordeling door de rechtbank

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. Nu de minister zich niet verzet tegen de toewijzing van de gevraagde voorziening en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletstelen ziet om dit verzoek toe te wijzen, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen in die zin dat de minister verzoeker niet mag uitzetten totdat op het bezwaar is beslist.

4. Omdat het verzoek wordt toegewezen, krijgt verzoeker een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en een

wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

  • gebiedt de minister om zich te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting buiten het grondgebied van Nederland van verzoeker en van voorbereidingen tot zodanige maatregelen, totdat op het bezwaar is beslist;

  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden;

  • veroordeelt de minister in de proceskosten van € 907,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.S.G. van der Werf, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.artikel