Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening, geen gronden, verzoek niet-ontvankelijk.
Rechtbank Den Haag, 16 maart 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:5477 · Rechtbank Den Haag · 16 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2026-5477
Zaakgegevens
Op 16 maart 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 16 maart 2026
- Datum publicatie
- 16 maart 2026
- Zaaknummer
- NL26.7378
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5477
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Voorlopige voorziening, geen gronden, verzoek niet-ontvankelijk.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7378
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.M. Bell),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
In het besluit van 9 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten zitting uitspraak.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81, vierde lid, van de Awb in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bevat het verzoekschrift de gronden van het verzoek. Indien hier niet aan is voldaan kan het verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Dit volgt uit artikel 8:81, vierde lid, van de Awb in samenhang met artikel 6:6 van de Awb.
2. Verzoeker heeft geen gronden van het verzoek vermeld in het verzoekschrift van 10 februari 2026. De rechtbank heeft eiser om deze reden bij bericht van 12 februari 2026 verzocht om de gronden alsnog binnen vijf werkdagen (dus uiterlijk op 19 februari 2026) in te dienen. Daarbij is aan verzoeker medegedeeld dat het verzoek anders niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Er zijn geen gronden ingediend.
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet is gebleken dat het verzuim verschoonbaar is. Uit de berichtgeving van 12 februari 2026 volgt dat de termijn vijf werkdagen is. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 16 maart 2026 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.