Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag · Voorlopige voorziening · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 17 maart 2026

Zaakgegevens

Op 17 maart 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
17 maart 2026
Datum publicatie
17 maart 2026
Zaaknummer
NL25.38414
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:5615
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vovo; wijst toe.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.38414


uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. L.I. Siers),

en

de minister van Asiel en Migratie,

Procesverloop

1. Verzoeker heeft op 5 december 2024 verzocht om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000. Met het besluit van 14 augustus 2025 heeft de minister dit verzoek afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, strekkende tot het achterwege laten van uitzetting totdat op het bezwaar is beslist.

1.1.

De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Uit artikel 8:81 van de Awb volgt dat de voorzieningenrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen, als tegen een besluit bezwaar is gemaakt en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. Bij brief van 2 januari 2026 heeft de griffier van de rechtbank de minister verzocht om schriftelijk mee te delen of hij zich tegen toewijzing van het verzoek verzet. De minister heeft daarop laten weten zich niet tegen toewijzing van het verzoek te verzetten. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toe.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat de uitzetting achterwege blijft totdat op het bezwaar is beslist. Dat betekent dat verzoeker gedurende de bezwaarprocedure niet mag worden uitgezet.

4.1.

Omdat het verzoek wordt toegewezen, krijgt verzoeker een vergoeding voor de proceskosten die hij vanwege de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend, waarvoor gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht 1 punt wordt toegekend. Omdat verzoeker is vrijgesteld van het betalen van het griffierecht, hoeft de minister dit niet te vergoeden. Verder zijn er geen kosten die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • wijst het verzoek toe;

  • treft de voorlopige voorziening dat uitzetting achterwege blijft totdat op het bezwaar is beslist;

  • veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van

S. Voolstra, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).