Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag · Voorlopige voorziening · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 27 januari 2026

Zaakgegevens

Op 27 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
27 januari 2026
Datum publicatie
26 maart 2026
Zaaknummer
NL25.23717
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:6626
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vovo afgewezen

Uitspraak

uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.23717

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker (gemachtigde: mr. A.H. Hekman),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: I.A.G. Lodders).

Procesverloop

  1. De minister heeft met het besluit van 6 maart 2025 vastgesteld dat het verblijfsrecht van eiser per 14 maart 2022 is geëindigd. Met het bestreden besluit van 16 mei 2025 op het bezwaar van verzoeker is de minister bij dit besluit gebleven en heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, omdat hij de uitkomst van het beroep niet in Nederland mag afwachten.

  2. De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek samen met het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de minister. Op de zitting is als getuige gehoord [persoon1] , de moeder van [persoon2] .

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.23716, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.

5. Gelet op de uitkomst van de bodemzaak veroordeelt de voorzieningenrechter de minister wel in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). De kosten voor het bijwonen van de zitting worden toegekend in de hoofdzaak.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden;

  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.B. Tool, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

27 januari 2026

[afbeelding niet beschikbaar]

Documentcode: [Documentcode]

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.