Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag · Voorlopige voorziening · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 16 april 2026

Zaakgegevens

Op 16 april 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
16 april 2026
Datum publicatie
16 april 2026
Zaaknummer
NL26.7693
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:9231
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vovo; verzet-me-niet.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.7693


uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 april 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], v-nummer: [nummer], verzoekster

(gemachtigde: mr. C. Huy),

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 16 januari 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

1.1.

De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Uit artikel 8:81 van de Awb volgt dat de voorzieningenrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen, als tegen een besluit bezwaar is gemaakt en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. Verzoekster heeft op 11 februari 2026 bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag. Dit bezwaar schort de rechtsgevolgen van het besluit van 16 januari 2026 niet op. Omdat gedurende de behandeling van het bezwaar uitzetting niet achterwege wordt gelaten heeft verzoekster spoedeisend belang bij de verzochte voorziening.

4. Bij brief van 27 februari 2026 heeft de griffier van de rechtbank de minister verzocht om schriftelijk mee te delen of hij zich verzet tegen de toewijzing van de voorlopige voorziening totdat op het bezwaarschrift is beslist. De minister heeft op 6 maart 2026 laten weten dat hij zich niet verzet tegen het toewijzen van de voorlopige voorziening totdat op het bezwaarschrift van verzoekster is beslist. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom toe.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat de uitzetting achterwege blijft totdat op het bezwaar is beslist. Dat betekent dat verzoekster gedurende de bezwaarprocedure niet mag worden uitgezet.

5.1.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet de minister de door verzoekster gemaakte proceskosten vergoeden. De vergoeding bedraagt € 934,-, omdat haar gemachtigde een verzoekschrift heeft ingediend. Daarnaast moet de minister het door verzoekster betaalde griffierecht van € 200,- vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek toe;

- treft de voorlopige voorziening dat uitzetting achterwege blijft totdat op het bezwaar is beslist;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster;

- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 200,- aan verzoekster moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).