Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening afgewezen. Bij uitspraak van vandaag, is op het beroep beslist. De rechtbank heeft het…
Rechtbank Den Haag, 23 april 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:9814 · Rechtbank Den Haag · 23 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2026-9814
Zaakgegevens
Op 23 april 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 23 april 2026
- Datum publicatie
- 23 april 2026
- Zaaknummer
- NL26.8837
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9814
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Voorlopige voorziening afgewezen. Bij uitspraak van vandaag, is op het beroep beslist. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar vernietigd. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. Het verzoek de artikel 64 aanvraag in Nederland te mogen afwachten heeft geen connexiteit met onderhavig beroep. Wel toekenning pkv gezien de uitkomst van de bodemzaak.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.8837
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam], verzoeker,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. K.S. Kort),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Inleiding
1. De minister heeft op 2 april 2025 aan verzoeker een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, zoals bedoeld in artikel 56, eerste lid van de Vw. Het besluit verplicht verzoeker met ingang van 3 april 2025 te verblijven in de gemeente Westerwolde, waar hij zich in de vbl in Ter Apel dient op te houden.
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de minister op het bezwaar van verzoeker, waarin zijn verzoek de vrijheidsbeperkende maatregel op te heffen, kennelijk ongegrond is verklaard. Verzoeker heeft daarbij verzocht om een voorlopige voorziening.
Op de zitting heeft verzoeker ook verzocht om een voorlopige voorziening inhoudende dat hij zijn aanvraag zoals bedoeld in artikel 64 van de Vw in Nederland mag afwachten.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken, gelijktijdig met het beroep, op 3 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat de vrijheidsbeperkende maatregel zal worden opgeheven tot op het beroep is beslist.
Bij uitspraak van vandaag, is op het beroep beslist. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar vernietigd. De minister is daarbij opgedragen binnen vier weken een nieuw besluit te nemen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
Gelet op de uitkomst van de bodemzaak veroordeelt de voorzieningenrechter de minister wel in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).
Met betrekking tot het verzoek de artikel 64 aanvraag in Nederland te mogen afwachten, is de rechtbank van oordeel dat dit verzoek geen connexiteit heeft met onderhavig beroep, namelijk het beroep tegen het besluit met betrekking tot de vrijheidsbeperkende maatregel. Daar komt bij dat de minister nog geen besluit heeft genomen op de artikel 64 aanvraag. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek daarom niet-ontvankelijk.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
-
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening met betrekking tot de vrijheidsbeperkende maatregel af;
-
verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening met betrekking tot de artikel 64 aanvraag niet-ontvankelijk;
-
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.