Civiel recht overig

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap. Valt opbrengst verkoop woning in (gedeeld) eigendom van vrouw in de…

Rechtbank Den Haag, 24 juli 2013

Zaakgegevens

Op 24 juli 2013 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
's-Gravenhage
Datum uitspraak
24 juli 2013
Datum publicatie
21 november 2013
Zaaknummer
432869 HA ZA 12-1431
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2013:15753
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap. Valt opbrengst verkoop woning in (gedeeld) eigendom van vrouw in de gemeenschap? Vrouw heeft voor het huwelijk met haar zus de woning van haar moeder gekocht. Moeder is in de woning blijven wonen en koopprijs is voldaan met een lening van de moeder. Tijdens het huwelijk is moeder overleden en de woning verkocht. Opbrengst van de verkoop valt in de gemeenschap. Het feit dat moeder in testament een uitsluitingsclausule heeft opgenomen doet niet ter zake. Artikel 1:124 lid 2 BW niet van overeenkomstige toepassing. In eerdere procedure tussen de vrouw en haar broer is legitimaire massa van nalatenschap moeder vastgesteld. Die massa is niet gelijk aan hetgeen de vrouw uit de nalatenschap (onder uitsluitingsclausule) heeft verkregen.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zittingsplaats Den Haag

zaaknummer / rolnummer: C/09/432869 / HA ZA 12-1431

Vonnis van 24 juli 2013

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. J.A.J. Hendriks te 's-Gravenzande,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. F. Borger van der Burg- Holstege te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding van 19 november 2012 met producties 1 tot en met 25;

  • de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie van 23 januari 2013 met producties 1 tot en met 10;

  • het tussenvonnis van 6 februari 2013, waarin een comparitie van partijen is gelast;

  • de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte wijziging/vermeerdering van eis in conventie en vordering ex artikel 843a Rv met producties 26 tot en met 31 van 24 april 2013;

  • de akte eiswijziging en eisvermeerdering in conventie van [eiser] van 24 april 2013;

  • het proces-verbaal van comparitie van 24 april 2013 en de daarin genoemde stukken en producties;

  • de brief met bijlagen van mr. Hendriks van 13 mei 2013;

  • de brief met bijlage van mr. Borger van der Burg van 16 mei 2013;

  • de akte uitlaten na comparitie van [eiser] van 5 juni 2013 met productie 33.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 1 september 1995 gehuwd in gemeenschap van goederen. Bij verzoekschrift van 18 januari 2011 is de echtscheiding aangevraagd, die vervolgens bij beschikking van 6 april 2011 is uitgesproken. Deze beschikking is op 16 mei 2012 ingeschreven in de registers van de burgelijke stand.

2.2.

Op 16 juli 1992 verkregen [gedaagde] en haar zus [C] krachtens een koopovereenkomst met hun moeder in gemeenschappelijke eigendom de woning aan de [adres 1] te [woonplaats] (hierna: ‘de ouderlijke woning’), waarbij de moeder een recht tot levenslang gebruik van de ouderlijke woning verkreeg. In de notariële leveringsakte is vermeld:

“De koopsom bedraagt: EENHONDERD DERTIGDUIZEND GULDEN (fl. 130.000,-), welk bedrag door kopers aan verkoopster is voldaan. Verkoopster verleent kopers bij deze kwitantie.”

2.3.

Op 16 juli 1992 zijn [gedaagde], haar zus [C] en haar moeder ook een overeenkomst van geldlening aangegaan, waarbij is overeengekomen dat [gedaagde] en haar zus ieder een bedrag van fl. 65.000,- ter leen zouden ontvangen van hun moeder.

2.4.

De moeder van [gedaagde] is op 9 juli 1995 overleden. In haar testament heeft de moeder van [gedaagde] bepaald dat hetgeen de gerechtigden tot haar nalatenschap daaruit verkrijgen, niet in enige huwelijksgoederengemeenschap zal vallen.

2.5.

Op 12 mei 2004 heeft het Gerechtshof ’s-Gravenhage (hierna: ‘het Hof’) arrest gewezen in een procedure tussen [gedaagde] en haar zus [C] enerzijds en [D], hun broer, anderzijds. Het Hof heeft daarin geoordeeld dat [D] benadeeld is in zijn wettelijk erfdeel doordat de koopprijs die [gedaagde] en haar zus in 1992 hadden betaald voor de ouderlijke woning NLG 380.000,- lager lag dan de werkelijke waarde van de woning op dat moment. Als gevolg van dat oordeel heeft het Gerechtshof het saldo van de nalatenschap herberekend op NLG 567.076,37 en op basis daarvan het wettelijk erfdeel van [D] vastgesteld.

2.6.

De ouderlijke woning is gesloopt na het overlijden van de moeder van [gedaagde]. Op 18 april 2005 hebben [gedaagde] en haar zus het perceel verkocht waarop de ouderlijke woning had gestaan. Het aandeel van [gedaagde] in de netto opbrengst van deze verkoop, dat € 430.288,39 bedroeg, is vervolgens op de gezamenlijke spaarrekening van partijen gestort.

2.7.

Op 3 februari 2011 heeft [gedaagde] een bedrag van € 202.000,- overgeboekt van de gezamenlijke spaarrekening van partijen naar een persoonlijke bankrekening.

2.8.

Tot de gemeenschap van goederen behoort de eigendom van de woning aan de [adres 2] ([postcode]) te [woonplaats] (hierna: ‘de gezamenlijke woning’). [eiser] gebruikt de gezamenlijke woning sinds de relatie tussen partijen is beëindigd.

2.9.

Partijen hebben voorts in gemeenschappelijk eigendom een vakantiehuisje c.q. stacaravan op het recreatiepark [recreatiepark] (hierna: ‘het chalet’).

2.10.

Tot begin 2013 hadden partijen voorts een vakantiecaravan in Italië in gemeenschappelijk eigendom. Deze caravan heeft [gedaagde] verkocht voor € 5.500,-. De koopsom heeft [gedaagde] op een op haar naam staande bankrekening gestort.

2.11.

Partijen zijn, althans één van hen is, eigenaar van een Renault Mégane Scenic met het kenteken [kenteken]. [gedaagde] gebruikt die auto sinds partijen niet meer samenleven.

2.12.

Op 30 april 2012 heeft [gedaagde] een Renault Mégane met kenteken [kenteken], waarvan zij tot dat moment de eigenaar was, verkocht voor een bedrag van € 7.365,04.

2.13.

Op 14 mei 2013 heeft de heer Jansen van makelaarskantoor Troost & Van Oosten een taxatie van de gemeenschappelijke woning verricht. Bij de taxatie is de peildatum 16 mei 2012 gehanteerd en is de woning getaxeerd op € 222.500,-. In het taxatierapport is vermeld dat het onderhoud ‘voldoende’ was. Voorts is in het rapport vermeld:

“Alle vermeldingen betreffende onderhoud en gebruik zijn aannames welke taxateur genomen heeft op basis van de door de opdrachtgever verstrekte informatie per waardepeildatum 16 mei 2012. De woning wordt momenteel (datum opname) dermate slecht onderhouden en rommelig dat hier niet of nauwelijks in valt te wonen. De tuin (met name achter) is momenteel een grote wildernis. De taxateur is er van uit gegaan (op basis van de verstrekte informatie) dat dit alles op de waardepeildatum vele malen beter was.”

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert na tweede eiswijziging  samengevat - verdeling van de gemeenschap van goederen, waarbij de verdeling aldus wordt vastgesteld dat aan hem de gezamenlijke woning wordt toegescheiden en de bankrekening met nr. 3232.52.893 en aan [gedaagde] alle overige goederen die onderdeel uitmaken van de gemeenschap, met betaling aan hem door [gedaagde] van de overbedeling van € 17.968,-, vergoeding van de helft van de huur van [recreatiepark], afgifte door [gedaagde] van verknochte sieraden en veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

Subsidiair, voor zover de rechtbank als peildatum een datum bepaalt na 2 februari 2011, vordert [eiser] voorts dat [gedaagde] een schadevergoeding van € 63.000,- aan de gemeenschap van goederen voldoet, alsmede toebedeling aan [gedaagde] van de inboedelgoederen die in de plaats zijn gekomen van het bedrag van € 63.000,- onder vergoeding van de helft van de waarde van deze inboedel uit overbedeling.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de gemeenschap van goederen verdeeld dient te worden met als peildatum voor de omvang en waarde daarvan 2 februari 2011. Die peildatum is volgens [eiser] gerechtvaardigd omdat [gedaagde] rond die datum is overgegaan tot feitelijke verdeling door een groot bedrag van de gezamenlijke spaarrekening te storten op een persoonlijke bankrekening. Voor zover de rechtbank niet uit zou gaan van die peildatum, dient [gedaagde] de schade te vergoeden die de gemeenschap heeft geleden doordat zij een deel van dat spaargeld vervolgens heeft verspild in de zin van artikel 1:164 Burgerlijk Wetboek (BW), aldus [eiser].

3.3.

Daarnaast heeft [eiser] een incidentele vordering ex artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingesteld, teneinde afschriften te verkrijgen van stukken waaruit de afkoopwaarde van een levensverzekering met polisnummer 2811331 blijkt en een afschrift van het document dat [gedaagde] op 5 maart 2013 ter ondertekening aan [eiser] heeft aangeboden.

3.4.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

[gedaagde] vordert  samengevat - primair een verklaring voor recht dat het aandeel in de verkoopopbrengst van de ouderlijke woning en de met die opbrengst aangeschafte of afbetaalde goederen behoren tot het privévermogen van [gedaagde]. Subsidiair, voor zover de rechtbank van oordeel zou zijn dat de verkoopopbrengst van de ouderlijke woning tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort, vordert [gedaagde] een verklaring voor recht dat de privévordering van [gedaagde] op de gemeenschap € 96.498,03 bedraagt, met bepaling dat dit bedrag in mindering gebracht kan worden op het saldo op haar bankrekening alvorens de waarde van die rekening bij de verdeling wordt betrokken.

Daarnaast vordert [gedaagde] verdeling van de gemeenschap op de door [gedaagde] voorgestane wijze, met vergoeding door [eiser] van de overbedeling die daardoor ontstaat en veroordeling van [eiser] in de buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

3.6.

[gedaagde] legt aan haar vorderingen onder meer ten grondslag dat de ouderlijke woning, de verkoopopbrengst daarvan en de daarmee verkregen goederen onder de uitsluitingsclausule in het testament van haar moeder vallen en daarmee buiten de gemeenschap van goederen vallen. [gedaagde] vordert eveneens verdeling van de gemeenschap en stelt zich daarbij op het standpunt dat voor de omvang en waarde van de gemeenschap de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, 16 mei 2012, als peildatum geldt.

3.7.

[eiser] voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in het incident

4.1.

[eiser] heeft in het incident in de eerste plaats afschriften van bescheiden gevorderd met betrekking tot een levensverzekering van [gedaagde]. Naar aanleiding daarvan heeft [gedaagde] voorafgaand aan de comparitie een polisblad overgelegd waaruit blijkt dat die levensverzekering op 9 mei 2012 is geëindigd en nadien geen waarde meer vertegenwoordigt. [eiser] heeft dat ter comparitie niet langer weersproken, zodat hij ook geen belang meer heeft bij zijn incidentele vordering ter zake.

4.2.

Daarnaast heeft [eiser] in het incident een afschrift gevorderd van het document dat [gedaagde] hem op 5 maart 2013 heeft laten tekenen. [gedaagde] heeft dat document daarop eveneens voorafgaand aan de comparitie in het geding gebracht, zodat [eiser] ook niet langer belang heeft bij zijn tweede incidentele vordering.

4.3.

De vorderingen in het incident zijn derhalve niet toewijsbaar. Gelet op de aard van de onderhavige procedure compenseert de rechtbank de kosten in het incident.

in de hoofdprocedure in conventie en reconventie

Peildata omvang en waarde gemeenschap

4.4.

De echtscheidingsbeschikking is op 16 mei 2012 in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven. Het verzoekschrift tot echtscheiding is voor 1 januari 2012 ingediend, zodat artikel 1:99 BW (oud) jo 1:163 BW in dit geval van toepassing is. Overeenkomstig die artikelen zal de rechtbank voor de bepaling van de omvang van de gemeenschap derhalve uitgaan van de datum van inschrijving van de echtscheiding: 16 mei 2012. De datum waarop het verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank is ingediend, de datum dat partijen feitelijk uit elkaar zijn gegaan of de datum waarop [gedaagde] een groot geldbedrag heeft overgeboekt naar een persoonlijke bankrekening, kunnen niet als peildatum dienen. Met betrekking tot de overboeking geldt dat dat niet gezien kan worden als een feitelijke daad van verdeling. Immers, ook het vermogen op een persoonlijke bankrekening van [gedaagde] behoort tot de gemeenschap. Ook het feit dat [gedaagde] in 2011 € 63.000,- van het overgeboekte spaargeld heeft geconsumeerd, waardoor [gedaagde] volgens [eiser] geld heeft verspild, vormt geen reden om een andere peildatum te bepalen. Of en in hoeverre [gedaagde] geld heeft verspild kan op grond van artikel 1:164 BW (oud) wel een rol spelen bij de verdeling en zal daarom hierna aan de orde komen.

4.5.

Ten aanzien van de peildatum voor de waarde van de vermogensbestanddelen heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat 18 januari 2011 daarvoor de juiste datum is. [gedaagde] heeft betoogd dat 16 mei 2012 de peildatum zou moeten zijn. Bij de bepaling van de waarde van vermogensbestanddelen in een gemeenschap dient de rechter in beginsel uit te gaan van de waarde ten tijde van de verdeling, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat daarvan zou moeten worden afgeweken. In het onderhavige geval stelt geen van partijen zich op het standpunt dat de waarde ex nunc vastgesteld moet worden. Nu 16 mei 2012 de datum is die het minst afwijkt van de hoofdregel dat de waarde ten tijde van de verdeling wordt gehanteerd, beschouwt de rechtbank dat als datum waarover beide partijen het in ieder geval eens zijn. De storting op een persoonlijke bankrekening van spaargeld door [gedaagde] en het uitgeven van een aanzienlijk deel daarvan vormen onvoldoende reden om op grond van de redelijkheid en billijkheid een eerdere peildatum te bepalen. Daarom zal de rechtbank 16 mei 2012 als peildatum voor de waardering van de vermogensbestanddelen hanteren.

Woning moeder [gedaagde] onderdeel gemeenschap geworden?

4.6.

Het belangrijkste punt dat partijen verdeeld houdt, vormt de vraag of de opbrengst uit de verkoop van de ouderlijke woning tot de gemeenschap van goederen behoort. De rechtbank is van oordeel dat dat het geval is. Daarvoor is het volgende redengevend.

4.7.

[gedaagde] heeft de onverdeelde helft van de ouderlijke woning krachtens een koopovereenkomst in (gemeenschappelijk) eigendom verkregen. Levering vond plaats op 16 juli 1992. Dit goed maakte derhalve onderdeel uit van het vermogen van [gedaagde] toen zij op 1 september 1995 in het huwelijk trad met [eiser]. Partijen zijn in gemeenschap van goederen getrouwd. Daarmee is de onverdeelde helft van de ouderlijke woning onderdeel geworden van het gemeenschappelijk vermogen van partijen.

4.8.

Het betoog van [gedaagde] dat het voorgaande in het onderhavige geval niet geldt, omdat het de uitdrukkelijke bedoeling van haar moeder was dat de erfenis voor haar kinderen niet in enige huwelijksgoederengemeenschap zou vallen, faalt. [gedaagde] heeft het aandeel in de ouderlijke woning immers niet krachtens vererving verkregen, maar krachtens een koopovereenkomst voordat haar moeder is overleden. Dat die koopovereenkomst (en de daarmee samenhangende lening voor de koopprijs) is aangegaan om de bij vererving verschuldigde successierechten en/of aanspraken van legitimarissen op de ouderlijke woning te voorkomen en partijen bij die overeenkomst de verkrijging zelf beschouwden als een erfenis, maakt het voorgaande niet anders. Vermogensrechtelijk verschilt een verkrijging onder bijzondere titel krachtens een koopovereenkomst nu eenmaal van een verkrijging onder algemene titel krachtens erfstelling, hoezeer ook de feitelijke gevolgen voor [gedaagde] vergelijkbaar waren. De uitsluiting in het testament van de moeder van [gedaagde] kan dan ook niet van toepassing zijn op reeds voor haar overlijden door haar aan [gedaagde] verkochte goederen.

4.9.

De eisen van redelijkheid en billijkheid staan er ook niet aan in de weg dat het aandeel van [gedaagde] in de gemeenschap is gevallen. Die eisen gelden tussen de partijen bij de koopovereenkomst. [gedaagde] kan zich daarop niet beroepen ten opzichte van een derde, die geen partij is bij die overeenkomst, zoals [eiser].

4.10.

Onjuist is voorts de stelling van [gedaagde] dat zij de ouderlijke woning pas heeft betaald na verkrijging van de nalatenschap. De koopakte vormt dwingend bewijs van het feit dat betaling heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de levering. Die betaling heeft blijkbaar plaatsgevonden door verrekening met de betaling waartoe de moeder van [gedaagde] krachtens de overeenkomst van geldlening tegelijkertijd gehouden was. Vervolgens is de vordering van de moeder van [gedaagde] uit hoofde van de overeenkomst van geldlening betaald door verrekening met de vrijgevallen nalatenschap.

4.11.

[gedaagde] betoogt voorts dat artikel 1:124 lid 2 BW (oud) naar analogie toegepast moet worden op het onderhavige geval. Dat artikel betreft een bijzondere huwelijksgemeenschap, te weten de gemeenschap van vruchten en inkomsten. Het gaat daarbij om een huwelijksvermogensregime dat afwijkt van de algehele gemeenschap van goederen en een vorm van huwelijkse voorwaarden uitwerkt. Een dergelijke gemeenschap omvat, in tegenstelling tot het regime waarvoor partijen hebben gekozen, alleen goederen die partijen gedurende het huwelijk verkrijgen, niet de goederen die reeds tot het vermogen van de echtelieden behoorden bij het aangaan van het huwelijk. Lid 2 van artikel 1:124 BW bepaalt dat een goed dat een echtgenoot anders dan om niet verkrijgt, buiten de gemeenschap blijft, indien het voor meer dan de helft van zijn prijs ten laste van hem persoonlijk komt. De rechtbank ziet niet in waarom deze bijzondere regeling die een uitzondering vormt op de algemene regel dat er door het huwelijk een algehele gemeenschap van goederen ontstaat, naar analogie toegepast zou moeten worden in deze zaak. Partijen hebben er immers juist niet voor gekozen af te wijken van het algemene huwelijksvermogensregime. Dat de prijs van de ouderlijke woning voor meer dan de helft ten laste van [gedaagde] persoonlijk is gekomen doet daar niet aan af. Dat gold voor alle (onbezwaarde) eigendommen die partijen bij het aangaan van het huwelijk inbrachten.

4.12.

[gedaagde] wijst er nog op dat het Hof in zijn in 2.5 beschreven arrest de nalatenschap van de moeder van [gedaagde] heeft vastgesteld op NLG 567.076,37. Deze berekening betreft echter een berekening van de legitimaire massa, rekening houdend met de bevoordeling van [gedaagde] en haar zus, ten behoeve van de vaststelling van het wettelijk erfdeel van hun broer. Die berekening impliceert geenszins dat [gedaagde] de gedeelde eigendom van de ouderlijke woning ook door middel van erfopvolging heeft verkregen.

4.13.

Uit het voorgaande volgt dat het aandeel van [gedaagde] in de opbrengst van de verkoop van de ouderlijke woning onderdeel is gaan uitmaken van de gemeenschap van goederen. Voor zover partijen goederen hebben aangeschaft van die opbrengst, zijn die ook onderdeel gaan uitmaken van de gemeenschap. De door [gedaagde] in reconventie primair gevorderde verklaringen voor recht zijn derhalve niet toewijsbaar.

4.14.

Subsidiair beroept [gedaagde] zich er op dat hetgeen zij heeft verkregen uit de nalatenschap van haar moeder wel onder de uitsluitingsclausule in het testament valt. Het zou volgens [gedaagde] gaan om een erfenis van € 96.498,03. [gedaagde] komt tot dit bedrag door de legitimaire massa die door het Hof is berekend in het arrest van 12 mei 2004 (omgerekend van guldens naar Euro’s) te delen door haar erfdeel. De berekening van het Hof omvat echter de waarde van de bevoordeling die heeft plaatsgevonden door de verkoop van de ouderlijke woning tegen een te lage waarde. Het door het Hof berekende bedrag kan daarom geen grondslag vormen voor de vaststelling van een verkrijging door [gedaagde] onder uitsluitingsclausule. De waarde van de bevoordeling vormt geen goed dat [gedaagde] door erfopvolging heeft verkregen. Zij had de (gedeelde) eigendom in de woning immers al in 1992 verkregen. Hetgeen hiervoor in 4.12 is overwogen, geldt ook in dit verband.

4.15.

[eiser] heeft gesteld dat er na het overlijden van de moeder van [gedaagde] geen daadwerkelijke verkrijging meer door [gedaagde] heeft plaatsgevonden. Hij wijst er op dat de nalatenschap (naast de schuld aan [D] in verband met de bevoordeling van [gedaagde] en haar zus) verder vrijwel uitsluitend bestond uit de vorderingen op [gedaagde] en haar zus uit hoofde van de geldlening, ter hoogte van ieder NLG 65.000,-. Die schulden aan de boedel zijn volgens [eiser] na overlijden van de moeder van [gedaagde] verrekend met de vorderingen van de erfgenamen op de boedel. [eiser] erkent wel dat door die verrekening een schuld die in de gemeenschap van goederen is gevallen is afbetaald met een buiten de gemeenschap vallende vordering van [gedaagde], zodat [gedaagde] een vordering op de gemeenschap tussen partijen heeft van (NLG 65.000,- omgerekend in Euro’s =) € 29.545,45. Nu de stelling van [gedaagde] dat zij uit de nalatenschap een bedrag van € 96.498,03 heeft verkregen faalt en [gedaagde] dit betoog van [eiser] niet anderszins heeft bestreden, komt de rechtbank tot de vaststelling dat [gedaagde] uit de nalatenschap uitsluitend een vordering van € 29.545,45 (op zichzelf) heeft verkregen onder de uitsluitingsclausule.

4.16.

Anderzijds wijst [eiser] er op dat [gedaagde] de vordering van haar broer [D], ter hoogte van € 30.597,67, heeft betaald uit het gemeenschappelijk vermogen van partijen. [eiser] stelt dat daarmee een schuld van [gedaagde] die buiten de gemeenschap viel, is voldaan met gemeenschappelijk vermogen, zodat de boedel nog een vordering op [gedaagde] heeft van € 30.597,67. [eiser] betoogt dat deze vordering en de vordering van [gedaagde] op de boedel van € 29.545,45 met elkaar verrekend kunnen worden. De rechtbank vat dat betoog op als een verrekeningsverklaring conform artikel 6:127 BW. Nu [gedaagde] dat betoog niet heeft weersproken, beschouwt de rechtbank de vordering van [gedaagde] op de gemeenschap als betaald en zal de rechtbank het saldo van de vordering van de boedel op [gedaagde] ter hoogte van € 1.052,22 (€ 30.597,67 - € 29.545,45) bij de verdeling betrekken, in de zin dat die vordering aan [gedaagde] zal worden toegescheiden, met verrekening van de daarmee gemoeide overbedeling.

4.17.

Uit het voorgaande volgt dat de subsidiair door [gedaagde] gevorderde verklaring voor recht en de gevorderde wijze van verdeling evenmin toegewezen kunnen worden.

Besteding € 63.000,- door [gedaagde]

4.18.

[eiser] heeft onweersproken gesteld dat [gedaagde], nadat zij op 3 februari 2011 € 202.000,- op een persoonlijke spaarrekening had overgeboekt, in de periode tussen 3 februari en 16 mei 2012 een bedrag van circa € 63.000,- daarvan heeft uitgegeven. [eiser] stelt subsidiair dat [gedaagde] daarmee de gemeenschap heeft benadeeld door goederen der gemeenschap te verspillen in de zin van artikel 1:164 BW. Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat de peildatum voor de omvang van de gemeenschap 16 mei 2012 is, zal zij ingaan op deze subsidiaire stelling.

4.19.

Het verzoekschrift voor de echtscheiding tussen partijen is op 18 januari 2011 ingediend, zodat de uitgave van het bedrag van € 63.000,- heeft plaatsgevonden na aanvang van het echtscheidingsgeding.

4.20.

[gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat van verspilling geen sprake is geweest. Zij voert aan dat ze van de één op de andere dag genoodzaakt was een appartement te huren en volledig in te richten, omdat ze geen toegang meer had tot de gezamenlijke woning van partijen. Uit de door [gedaagde] overgelegde documenten blijkt dat zij in de betreffende periode een maandelijkse huur (inclusief gebruikskosten) verschuldigd was van € 1.021,18. Over de periode tussen 1 februari 2011 en 16 mei 2012 betreft dat derhalve 16 maanden x € 1.021,18 = € 16.338,88. Daarnaast betoogt [gedaagde] dat zij kosten heeft moeten maken ter hoogte van € 1.827,54 voor onder andere verf, tegels en gereedschap om het gehuurde appartement op te knappen, € 699,89 voor de aanschaf van elektrische apparatuur en € 218 voor een stofzuiger en pannen. Daarnaast stelt [gedaagde] dat zij € 31.465,17 heeft besteed aan inrichting van het appartement, waaronder € 9.212,- aan een nieuwe keuken, € 6.757,- aan een bankstel, € 6.000,- aan een eethoek en € 4.000,- aan een bed. [gedaagde] specificeert (inclusief het hiervoor berekende bedrag aan huurkosten) ongeveer € 55.000,- van haar uitgaven en geeft aan dat de rest van het bedrag van € 63.000,- is uitgegeven aan huisraad.

4.21.

De rechtbank overweegt hierover als volgt. Op zich kan de huur van een appartement, de aanschaf van nieuwe huisraad door [gedaagde] en het maken van kosten voor enige verbeteringen aan het appartement niet als verspilling worden aangemerkt. Dat wordt echter anders als de daarmee gemoeide bedragen niet in verhouding staan tot de daarvoor gangbare prijzen en de levensstandaard van partijen. Bij die levensstandaard neemt de rechtbank in aanmerking dat [gedaagde] naar eigen zeggen slechts een klein pensioentje ontvangt en dat partijen anderzijds een redelijk vermogen hadden. Gelet op de hiervoor weergegeven kostenspecificaties, is de rechtbank van oordeel dat van de gespecificeerde kosten slechts de volgende kosten als een verspilling kunnen worden aangemerkt:

- de kosten voor een nieuwe keuken van circa € 9.000,-. [gedaagde] heeft dit geld besteed aan een keuken voor een huurappartement, waar al een keuken in zal hebben gezeten. Die uitgave is een vorm van consumptie die niet in verhouding staat tot de levensstandaard van partijen;

- de omvang van de kosten voor een nieuw bankstel, een nieuwe eethoek en een nieuw bed acht de rechtbank erg hoog. De rechtbank schat in dat [gedaagde] ook een bankstel, eethoek en bed voor (in totaal) € 9.000,- had kunnen kopen in overeenstemming met de levensstandaard van partijen. Het uitgegeven bedrag van in totaal € 16.750,- vormt daarom voor een deel, € 7.750,- een verspilling in de zin van artikel 1:164 BW;

- Het niet te specificeren bedrag van € 8.000,-, waarvan [gedaagde] stelt dat dat besteed is aan huisraad, acht de rechtbank eveneens te hoog. Aan [gedaagde] kan toegegeven worden dat kosten voor de aanschaf van nieuwe huisraad bij elkaar optellen, maar de rechtbank schat in dat een bedrag van € 5.000,- daarvoor ruimschoots volstaat.

4.22.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank een bedrag van (€ 9.000,- + € 7.750,- + € 3.000,- =) € 19.750,- als een verspilling aanmerkt. Daarmee heeft de gemeenschap een vordering ter hoogte van € 19.750,- op [gedaagde]. De rechtbank zal deze vordering op [gedaagde] toebedelen aan [gedaagde], met verrekening van de daarmee gemoeide overbedeling.

Gezamenlijke woning [adres 2]

4.23.

Partijen verschillen ook van mening over de vraag wat de waarde van de gezamenlijke woning is. De WOZ waarde per 1 januari 2012 is bepaald op € 223.000,-. [gedaagde] heeft in mei 2013 een taxatie van de gezamenlijke woning laten doen door een makelaar. Volgens die taxatie was de waarde van de gezamenlijke woning op de peildatum 16 mei 2012 € 222.500,-. [eiser] heeft in april 2013 een taxatie door een makelaar laten doen voor de peildatum 4 april 2013, waarbij de gezamenlijke woning is getaxeerd op € 210.00,-. [eiser] betwist de juistheid van de taxatie van [gedaagde], omdat de taxateur volgens [eiser] onvoldoende rekening heeft gehouden met de slechte staat van onderhoud van het getaxeerde. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Zoals geciteerd in 2.13, is de door [gedaagde] ingeschakelde taxateur er van uitgegaan dat het onderhoud op de peildatum voldoende was, maar was het onderhoud op het moment van opname (een jaar later) volstrekt onvoldoende. Gelet op de betwisting door [eiser], die stelt dat het onderhoud al slecht was vanaf het moment dat [gedaagde] de gezamenlijke woning in januari 2011 verliet, staat niet vast dat de aanname van de taxateur juist is. Om die reden zal de rechtbank ook de WOZ taxatie en de taxatie in april 2013 door een door [eiser] ingeschakelde makelaar bij de vaststelling van de waarde betrekken. Alles afwegend komt de rechtbank op een vaststelling dat de gezamenlijke woning op 16 mei 2012 een geschatte waarde had van € 220.000,-.

4.24.

Partijen zijn het er over eens dat de gezamenlijke woning aan [eiser] toebedeeld zal worden, met verrekening van de overbedeling. De rechtbank zal deze onroerende zaak dan ook op die manier verdelen.

4.25.

[eiser] heeft tevens gevorderd dat [gedaagde] wordt bevolen haar medewerking te verlenen aan de levering in enig eigendom aan hem van de woning. Nu uit de stellingen van [eiser] naar voren komt dat hij de gezamenlijke woning in enig eigendom had bij het aangaan van het huwelijk met [gedaagde] en uit de door hem overgelegde kadastrale gegevens uit mei 2012 blijkt dat alleen [eiser] als eigendomsgerechtigde van deze woning bij het kadaster is geregistreerd, lijkt een notariële akte van levering (naast een vonnis waarin de verdeling wordt bepaald) voorshands niet nodig. Voor het geval dat om enige reden toch nodig zou zijn, zal de rechtbank deze (onbetwiste) vordering toewijzen en bepalen dat, indien [gedaagde] niet mocht meewerken aan de ondertekening van de leveringsakte, het vonnis overeenkomstig artikel 3:300 lid 1 BW dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte.

Inboedel goederen

4.26.

[gedaagde] vordert dat de inboedelgoederen in de gezamenlijke woning (met een paar uitzonderingen) aan [eiser] worden toebedeeld en de inboedelgoederen in haar huurappartement aan haar. [eiser] brengt daar slechts tegen in dat de waarde van de inboedel van [gedaagde], gelet op haar uitgaven als beschreven in 4.20, een veel hogere waarde heeft dan de inboedel in de gezamenlijke woning, zodat hij een vergoeding uit overbedeling van [gedaagde] vordert. De rechtbank is van oordeel dat de door [gedaagde] gevorderde verdeling niet tot overbedeling leidt. In de eerste plaats kunnen de aanschafkosten van inboedelgoederen geenszins gelijkgesteld worden aan hun waarde na gebruik daarvan. In de tweede plaats heeft [gedaagde] niet, zoals [eiser] stelt, € 63.000,- aan inboedelgoederen uitgegeven, maar slechts een deel daarvan. In de derde plaats is hiervoor in 4.22 al vastgesteld dat de boedel een vordering heeft op [gedaagde] voor zover de uitgaven aan haar nieuwe inboedel als buitensporig hoog aangemerkt konden worden. De rechtbank zal bij de verdeling derhalve aan ieder van partijen de op dit moment bij hem of haar in gebruik zijnde inboedel toebedelen, zonder daaraan een waarde toe te kennen en derhalve zonder een vordering uit hoofde van overbedeling aan de andere partij toe te kennen.

4.27.

In uitzondering op het voorgaande zal de rechtbank de in paragraaf 32 van de conclusie van antwoord in conventie opgesomde goederen uit de inboedel in de gezamenlijke woning toebedelen aan [gedaagde] zonder nadere verrekening, nu [eiser] heeft verklaard daartegen geen bezwaar te hebben en niet heeft gesteld welke waarde deze sieraden vertegenwoordigen. De rechtbank zal [eiser] bevelen deze goederen binnen één maand na betekening van dit vonnis aan [gedaagde] te leveren door feitelijke afgifte.

4.28.

In uitzondering op het voorgaande zal de rechtbank de in paragraaf 2.10 van de dagvaarding opgesomde sieraden toebedelen aan [eiser] zonder nadere verrekening, nu [gedaagde] heeft verklaard daartegen geen bezwaar te hebben en niet heeft gesteld welke waarde deze sieraden vertegenwoordigen. De rechtbank zal [gedaagde] bevelen deze goederen binnen één maand na betekening van dit vonnis aan [eiser] te leveren door feitelijke afgifte.

Chalet [recreatiepark]

4.29.

Beide partijen hebben ter comparitie verklaard dat zij het chalet niet toebedeeld wensen te krijgen. Hun advocaten hebben daarbij verklaard dat de gevorderde verdeling de verkoop van het chalet op door de rechtbank te bepalen wijze omvat, met gelijke verdeling van de opbrengst. De rechtbank zal daarom bepalen dat het chalet en de daar aanwezige inboedel onderhands zullen worden verkocht aan de hoogst biedende, na openbare bekendmaking op gebruikelijke wijze van het feit dat het chalet en de inboedel te koop worden aangeboden.

4.30.

Indien partijen niet binnen twee maanden na de datum van dit vonnis tot overeenstemming zouden kunnen komen over de wijze van verkoop of de vraagprijs, machtigt de rechtbank [eiser] om mede namens [gedaagde] opdracht te geven aan een makelaar tot verkoop van het chalet aan de hoogst biedende en daarbij een door die makelaar geadviseerde vraagprijs te hanteren. Ter comparitie is immers gebleken dat de familie van [eiser] nog steeds toegang heeft tot het chalet, terwijl [gedaagde] heeft verklaard de toegang tot het vakantiepark waarop het chalet zich bevindt te zijn geweigerd. De kosten van die makelaar zullen door partijen voor gelijke delen worden gedragen.

4.31.

Partijen zullen voorts worden veroordeeld tot medewerking aan de verkoop van het chalet en alle daarvoor benodigde handelingen, zoals het gelegenheid bieden tot bezichtiging, het verkopen aan de hoogste bieder, het ondertekenen van de koopovereenkomst en de eventuele leveringsakte en het eventueel ontruimen van het chalet uiterlijk zeven dagen voor de levering. Voor het geval één van partijen niet mocht meewerken aan de ondertekening van de koopovereenkomst en de eventuele leveringsakte, zal de rechtbank overeenkomstig artikel 3:300 lid 1 BW bepalen dat dit vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte wilsverklaring van die partij.

4.32.

Na de verkoop van het chalet dient de opbrengst gelijkelijk tussen partijen te worden verdeeld, na aftrek van de noodzakelijke kosten van de verkoop en levering.

4.33.

Voorts heeft [eiser] onweersproken gesteld dat hij in 2013 kosten ter hoogte van € 2.469,- heeft gemaakt in verband met het chalet en in 2011 en 2012 € 4.800,-, welke uitgaven gemeenschapsschulden vormen zodat hij een vordering voor die bedragen op de gemeenschap heeft. Deze schulden van de gemeenschap aan [eiser] zullen aldus in de verdeling worden betrokken, dat [eiser] in de interne verhouding tussen partijen die schuld dient te voldoen, met verrekening van het daarmee gemoeide bedrag.

Opbrengst caravan Italië

4.34.

[gedaagde] betwist niet dat de opbrengst uit verkoop van de caravan in Italië van € 5.500,- bij de verdeling betrokken moet worden. Nu dit bedrag op een bankrekening van [gedaagde] is gestort, zal deze opbrengst aan haar worden toebedeeld met verrekening van de daarmee gemoeide overbedeling.

4.35.

Tussen partijen is niet in geschil dat de door de gemeenschap verschuldigde huur voor de caravanplaats in Italië voor 2011 en 2012 € 4.000,- (totaal) bedroeg. [gedaagde] stelt dat zij die kosten heeft voldaan en heeft ter zake de betaling in 2012 een kwitantie overgelegd. Gelet daarop passeert de rechtbank de stelling van [eiser] dat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat zij deze kosten daadwerkelijk heeft voldaan. Deze gemeenschapsschuld aan [gedaagde] zal aldus in de verdeling worden betrokken, dat [gedaagde] in de interne verhouding tussen partijen die schuld dient te voldoen, met verrekening van het daarmee gemoeide bedrag.

Bankrekeningen en contant geld

4.36.

Tot de boedel behoorden op de peildatum de saldi op een gezamenlijke bankrekening met nummer 3232.52.893 en twee bankrekeningen op naam van [eiser] met de nummers 3232.25.624 en 3232.268.935. Na de peildatum is de gezamenlijke bankrekening ook op naam van [eiser] gesteld. Op 16 mei 2012 stond op deze drie rekeningen in totaal een bedrag van € 1.095,50.Voorts is niet in geschil dat een bedrag van € 6000,- dat tot de gemeenschap behoort, op de bankrekening van de dochter van [eiser] is gestort voor de peildatum. Ter comparitie heeft zij verklaard dat dat bedrag op die manier opzij is gezet zodat [eiser] zijn advocaat kon betalen en door haar vervolgens op een aparte bankrekening van [eiser] is gestort. Al deze rekeningen zullen aan [eiser] worden toebedeeld waarbij de waarde wordt vastgesteld op € 7.095,50, onder verrekening van de daarmee gemoeide overbedeling.

4.37.

Tot de boedel behoorden op de peildatum tevens de saldi op twee bankrekeningen van [gedaagde] met rekeningnummers 3631.565.046 en 1583.15.251. Het saldo op de spaarrekening van [gedaagde] bedroeg op 16 mei 2012 € 144.041,65 en het saldo op de betaalrekening € 1.290,37 (totaal € 145.332,02). Deze rekeningen zullen aan [gedaagde] worden toebedeeld waarbij de waarde wordt vastgesteld op € 145.332,02, onder vergoeding van de daarmee gemoeide overbedeling.

4.38.

[eiser] heeft gesteld dat zich in een bankkluis van partijen ook nog € 10.000,- contant geld bevond. Gelet op de betwisting daarvan door [gedaagde], heeft [eiser] die stelling onvoldoende onderbouwd. De vordering tot verdeling van dat bedrag wordt daarom afgewezen.

Lijfrente

4.39.

Op de gronden beschreven in overweging 4.1 stelt de rechtbank vast dat de gemeenschap op de peildatum geen lijfrente meer omvatte. Die behoeft derhalve ook niet verdeeld te worden.

Auto’s

4.40.

[gedaagde] heeft op 30 april 2012 de in 2.12 beschreven Renault met kenteken [kenteken] verkocht voor een bedrag van € 7.365,04. Deze auto behoorde op de peildatum dus niet meer tot de gemeenschap. [eiser] stelt zich op het standpunt dat deze auto eigenlijk een hogere waarde had, zodat de gemeenschap is benadeeld en er bij de verdeling van die hogere waarde uitgegaan moet worden. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Uit het door [eiser] overgelegde ANWB taxatierapport blijkt dat deze auto in oktober 2012 een waarde had bij verkoop tussen particulieren van € 7.100,-. Gelet daarop kan de verkoop van de auto in april 2012 voor € 7.365,04 niet aanmerkt worden als een benadeling van de gemeenschap. Uit de door [gedaagde] overgelegde stukken blijkt dat de verkoopopbrengst van deze auto op de hiervoor in 4.37 besproken betaalrekening van [gedaagde] is gestort voor 16 mei 2012, zodat die opbrengst reeds bij de verdeling is betrokken.

4.41.

Tot de gemeenschap behoorde op de peildatum wel de Renault met kenteken 66-XJ-JT. Blijkens een taxatie die door [gedaagde] is overgelegd bedroeg de advieshandelsprijs van deze auto op 14 juni 2012 € 9.815,00. [eiser] heeft een taxatie overgelegd waaruit blijkt dat deze auto bij inruil in oktober 2012 een waarde van € 11.950,- zou hebben en bij verkoop tussen particulieren € 9.300,-. De rechtbank waardeert de auto op de peildatum gelet op deze taxaties op € 9.900,00. De auto wordt gebruikt door [gedaagde], zodat deze aan haar zal worden toebedeeld, met verrekening van de overbedeling.

4.42.

[eiser] heeft onbetwist gesteld dat er in de periode maart 2012 tot en met mei 2013 wegenbelasting voor de auto met kenteken [kenteken] is voldaan vanaf de bankrekening met nr. ~893, ter hoogte van in totaal € 804,-. Nu [gedaagde] de auto gebruikt, heeft, dient zij deze kosten te dragen vanaf de peildatum, 16 mei 2012. Na die datum heeft [eiser] € 603,00 wegenbelasting betaald, zodat [eiser] een vordering op [gedaagde] heeft ter hoogte van dat bedrag. Dat bedrag vormt geen gemeenschapsgoed en dient te worden verrekend met de hieronder te berekenen overbedeling van [eiser].

Lening aan moeder [eiser]

4.43.

[gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat de gemeenschap een vordering van € 5.560,- uit hoofde van geldlening heeft op de moeder van [eiser]. Omdat de moeder van [eiser] inmiddels is overleden, betreft dit een vordering op de erven. [eiser] merkt hierover slechts op dat onduidelijk is in hoeverre de nalatenschap van de moeder van [eiser] een positief saldo oplevert. Ter comparitie is duidelijk geworden dat [eiser] en zijn broers de nalatenschap zuiver hebben aanvaard, zodat zij gehouden zijn de eventuele schulden van hun moeder te voldoen. Tegen die achtergrond kan aan de vordering van de gemeenschap op de erven van de moeder van [eiser] geen lagere waarde dan de nominale waarde worden toegekend. Deze vordering zal aan [eiser] worden toegescheiden, onder verrekening van de overbedeling.

Vaststelling verdeling

4.44.

Gezien het voorgaande komt de rechtbank tot de volgende omvang van de gemeenschap en verdeling:

Activa

waarde

[eiser]

[gedaagde]

Vordering op [gedaagde] beschreven in overweging 4.16

€ 1.052,22

€ 1.052,22

Vordering op [gedaagde] uit hoofde van 1:164 BW

€ 19.750,-

€ 19.750,-

Gezamenlijke woning

€ 220.000,-

€ 220.000,-

Inboedel [eiser], inclusief sieraden en horloges bedoeld in 2.10 van de dagvaarding

€ 0,-

€ 0,-

Inboedel [gedaagde], inclusief goederen beschreven in paragraaf 32 conclusie van antwoord

€ 0,-

€ 0,-

Chalet [recreatiepark]

p.m.

Opbrengst caravan Italië

€ 5.500,-

€ 5.500,-

Bankrekeningen [eiser]

€ 7.095,50

€ 7.095,50

Bankrekeningen [gedaagde]

€ 145.332,02

€ 145.332,02

Auto [kenteken]

€ 9.900,-

€ 9.900,-

Vordering op erven moeder [eiser]

€ 5.560,-

€ 5.560,-

Totaal actief

€ 414.189,74

€ 232.655,50

€ 181.534,24

Passiva

Kosten chalet

- € 7.269,-

- € 7.269,-

Kosten caravan Italië

- € 4.000,-

- € 4.000,-

Totaal passief

- € 11.269,-

- € 7.269,-

- € 4.000,-

Gemeenschappelijk vermogen en verdeling daarvan

€ 402.920,74

€ 225.386,50

€ 177.534,24

Vordering uit over/onderbedeling

-€ 23.926,13

€ 23.926,13

Uit deze berekening volgt dat [gedaagde] nog een vordering heeft op [eiser] uit onderbedeling van € 23.926,13. Met dat bedrag kan verrekend worden de vordering van [eiser] op [gedaagde] ter zake de wegenbelasting van € 603,-, zodat [gedaagde] nog van [eiser] te vorderen heeft € 23.323,13. De rechtbank zal [eiser] veroordelen tot betaling van dat bedrag.

4.45.

Beide partijen vorderen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en betwisten elkaars vordering niet inhoudelijk. [gedaagde] komt echter tot de slotsom dat deze vorderingen over en weer met elkaar verrekend kunnen worden en [eiser] betwist die verrekeningsverklaring niet. De rechtbank beschouwt deze vorderingen derhalve als verrekend, zodat de vorderingen tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten in conventie en in reconventie niet zal worden toegewezen.

4.46.

Gelet op de aard van deze zaak compenseert de rechtbank de proceskosten in conventie en reconventie, in de zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

compenseert de proceskosten in het incident;

in de hoofdprocedure in conventie en reconventie

5.3.

stelt de verdeling van de gemeenschap van goederen tussen partijen als volgt vast:

5.3.1.

deelt toe aan [eiser]: de in overweging 2.8 beschreven gezamenlijke woning, de inboedel van de gezamenlijke woning, de in onderdeel 2.10 van de dagvaarding beschreven sieraden, de saldi op de in 4.36 beschreven bankrekeningen en het bedrag dat de dochter van [eiser] voor hem op haar bankrekening hield en de vordering op de erven van de moeder van [eiser];

5.3.2.

deelt toe aan [gedaagde]: de vorderingen op [gedaagde] beschreven in 4.16 en 4.22, de inboedel van het appartement van [gedaagde], de in onderdeel 32 van de conclusie van antwoord beschreven goederen, de opbrengst van de verkoop van de caravan, de saldi op de in 4.37 beschreven bankrekeningen en de auto met kenteken [kenteken];

5.4.

beveelt [gedaagde] om binnen één maand na de datum van betekening van dit vonnis de in onderdeel 2.10 van de dagvaarding beschreven sieraden aan [eiser] te leveren door middel van feitelijke afgifte;

5.5.

beveelt [eiser] om binnen één maand na de datum van betekening van dit vonnis de in onderdeel 32 van de conclusie van antwoord beschreven goederen aan [gedaagde] te leveren door middel van feitelijke afgifte;

5.6.

bepaalt dat [gedaagde] binnen één maand na de datum van betekening van dit vonnis haar medewerking verleent aan al hetgeen nodig is voor de levering van de gezamenlijke woning aan [eiser];

5.7.

bepaalt dat indien [gedaagde] met betrekking tot de levering van de gezamenlijke woning in gebreke blijft te voldoen aan het hiervoor in 5.6 bepaalde, dit vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van [gedaagde];

5.8.

veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen uit hoofde van overbedeling € 23.323,13;

5.9.

bepaalt dat het chalet en de zich daarin bevindende inboedel onderhands zullen worden verkocht aan de hoogst biedende, na openbare bekendmaking op gebruikelijke wijze van het feit dat deze goederen te koop worden aangeboden;

5.10.

machtigt [eiser] om, voor het geval partijen niet binnen twee maanden na de datum van dit vonnis tot overeenstemming zijn gekomen over de wijze van verkoop van het chalet of de vraagprijs, mede namens [gedaagde] opdracht te geven aan een makelaar tot verkoop van het chalet en daarbij een door die makelaar geadviseerde vraagprijs te hanteren.

5.11.

beveelt partijen hun medewerking te verlenen aan de verkoop van het chalet en alle daarvoor benodigde handelingen, zoals het gelegenheid bieden tot bezichtiging, het ontruimen, het verkopen aan de hoogste bieder, het ondertekenen van de koopovereenkomst en de eventuele leveringsakte;

5.12.

bepaalt – voor het geval één van partijen niet mocht meewerken aan de ondertekening van de in r.o. 5.11 van dit vonnis bedoelde koopovereenkomst en eventuele leveringsakte – dat dit vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte wilsverklaring van die partij;

5.13.

bepaalt dat de opbrengst van het chalet tussen partijen bij helfte zal worden verdeeld, na aftrek van de met de verkoop gemoeide noodzakelijke kosten, waaronder eventuele makelaarskosten;

5.14.

verklaart dit vonnis tot zover zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

5.15.

compenseert de proceskosten;

5.16.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.M. Bus en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2013.