Civiel recht overig
Rechtbank Den Haag · Eerste aanleg - enkelvoudig · Civiel recht overig
Rechtbank Den Haag, 16 maart 2023
ECLI:NL:RBDHA:2023:6238 · Rechtbank Den Haag · 16 maart 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2023-6238
Zaakgegevens
Op 16 maart 2023 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 16 maart 2023
- Datum publicatie
- 1 mei 2023
- Zaaknummer
- 8992353 EL 21-4
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2023:6238
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Effectenleasezaken
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Den Haag
Rolnr.: 8992353 EL 21-4
Datum: 16 maart 2023
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
inzake
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres,
verder te noemen: Dexia,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te ’ [woonplaats] ,
gedaagde,
verder te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces.
1 De verdere procedure
Het verloop van de verdere procedure blijkt uit:
-
het tussenvonnis van 9 december 2021 (hierna: het tussenvonnis) met de daarin genoemde stukken;
-
de akte uitlaten bewijs van [gedaagde] van 6 januari 2022;
-
de ter griffie ontvangen verklaringen van [gedaagde] en haar echtgenoot van 11 oktober 2022;
-
het proces-verbaal van getuigenverhoor van 27 oktober 2022;
-
de conclusie na enquête van Dexia van 12 januari 2023 met producties;
-
de conclusie na enquête van [gedaagde] van 9 februari 2023.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De verdere beoordeling
Verwezen wordt naar het tussenvonnis. De kantonrechter blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in dat tussenvonnis.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat de aangevoerde bewijsmiddelen het (bewijs)vermoeden rechtvaardigen dat de echtgenoot van [gedaagde] door kennisname van één of meer bankafschriften eerder dan drie jaar vóór 13 maart 2003 kennis heeft gekregen van het bestaan van de overeenkomst onder nummer [nummer] en dat Dexia voorshands is geslaagd in haar bewijslevering dat het vernietigingsrecht op het moment van het sturen van de vernietigingsbrief was verjaard. [gedaagde] is in de gelegenheid gesteld hiertegen tegenbewijs te leveren.
In dat kader zijn door [gedaagde] als getuigen gehoord: [gedaagde] en haar echtgenoot, [de man] .
De kantonrechter is van oordeel dat met de getuigenverklaringen van [gedaagde] en haar echtgenoot het gevraagde tegenbewijs niet is geleverd. Hiervoor wordt overwogen dat het bewijsvermoeden is aangenomen op basis van de verwachting dat de echtgenoot van [gedaagde] kennis heeft genomen van de overeenkomst, omdat hij (één van) de bankafschriften van de en/of-rekening onder ogen heeft gekregen. [gedaagde] en haar echtgenoot verklaren dat hij deze niet onder ogen kreeg, maar deze getuigenverklaringen vindt de kantonrechter niet overtuigend. [gedaagde] heeft verklaard dat zij nooit informatie met betrekking tot die rekening aan haar echtgenoot doorgaf voor de belastingaangifte, maar deze informatie was wel nodig om die aangifte te kunnen doen en uit de verklaringen volgt dat de echtgenoot van [gedaagde] de contactpersoon van de accountant was. Deze verklaring van [gedaagde] kan dus niet juist zijn. Verder is van belang dat [gedaagde] en haar echtgenoot beiden verklaren dat [gedaagde] aan haar echtgenoot heeft gemeld dat zij een spaarrekening voor hun zoon had afgesloten. Bij het doen van de belastingaangifte had de echtgenoot dus de gegevens van die spaarrekening en de eventuele renteontvangsten nodig. Hiernaar moet hij dus gevraagd hebben. Hij was immers in de veronderstelling dat een spaarproduct was afgesloten. Het ligt voor de hand dat hij er toen achter is gekomen dat het geen spaarproduct betrof en dat hij dus geen gegevens daarvan hoefde te verstrekken aan de accountant. Tot slot hebben [gedaagde] en haar echtgenoot beiden verklaard dat zij samen hebben besproken dat zij voor hun kinderen een uitvaartverzekering wilden sluiten, dat zij samen met de assurantietussenpersoon hebben overlegd toen het niet mogelijk bleek om een uitvaartverzekering af te sluiten voor hun tweede kind en dat zij samen hebben besloten dat er daarom een andere oplossing voor dit kind moest komen. Hieruit volgt dat [gedaagde] en haar echtgenoot dergelijke financiële zaken steeds samen regelden en met elkaar bespraken. Daarom vindt de kantonrechter ook de verklaring van [gedaagde] en van haar echtgenoot dat zij de vervanging van de uitvaartverzekering door de overeenkomst met Dexia niet met elkaar hebben besproken, niet overtuigend. Het voorgaande leidt ertoe dat het bewijsvermoeden onvoldoende is weerlegd.
Het beroep van Dexia op verjaring slaagt dan ook, zodat de overeenkomst niet tijdig is vernietigd. Niet is dan ook komen vast te staan dat [gedaagde] een vordering heeft op Dexia, zodat de door Dexia gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar is.
Nu [gedaagde] in het ongelijk wordt gesteld, zal zij worden veroordeeld in de proceskosten.
3 De beslissing
De kantonrechter
verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomst met nummer [nummer] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is,
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Dexia tot op heden vastgesteld op:
a. kosten dagvaarding € 102,96
b. griffierecht € 126,00
c. salaris gemachtigde € 792,00 (3 punten à € 264,00)
€ 1.020,96
verklaart de proceskostenveroordeling in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.D. Bellaart, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken door mr. A. van Dijk, kantonrechter, op 16 maart 2023.
type: BF