Civiel recht overig
Voorlopig uitsluitend gebruik van huurwoning.
Rechtbank Den Haag, 15 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:22550 · Rechtbank Den Haag · 15 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-22550
Zaakgegevens
Op 15 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 15 juli 2026
- Datum publicatie
- 12 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/09/707985 KG ZA 26-727
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22550
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Voorlopig uitsluitend gebruik van huurwoning.
Uitspraak
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/707985 KG ZA 26-727
Vonnis in kort geding van 15 juli 2026
in de zaak van
[eiser] te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. H.H.R. Bruggeman,
tegen:
[gedaagde] te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. R.W. van den Hoek.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de man’ en ‘de vrouw’.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 22 maart 2026 met producties 1 tot en met 5;
- de brief van 7 juli 2026 namens de man, met productie 6;
- de door de vrouw overgelegde producties 1 tot en met 8.
Op 8 juli 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig partijen met hun advocaten. Partijen hebben hun standpunten toegelicht. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
2 De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
Op 2 juli 2025 zijn partijen een huurovereenkomst met Rijnhart Wonen aangegaan voor de woning aan het [adres] (hierna: de woning). Nadat de affectieve relatie in november 2025 is geëindigd, heeft de man de woning verlaten. De vrouw is in de woning blijven wonen.
Op 17 en 30 december 2025 en op 1 februari 2026 hebben gesprekken tussen partijen plaatsgevonden over het gebruik van de woning en de verdeling van de inboedel.
In een brief van de heer [naam] (de oom van de vrouw) van 1 maart 2026 aan de advocaat van de man is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:
“Op verzoek van [eiser] , stuur ik u een korte opsomming van de gebeurtenissen tijdens mijn bemiddelingspoging om het e.e.a. op een goede wijze te regelen tussen [eiser] en [gedaagde] . […]
[gedaagde] heeft aangegeven welke spullen zij graag zou meenemen en bij akkoord van [eiser] zich dan zou uitschrijven van het huurcontract. […]
1 februari heeft de afspraak bij ons thuis plaats gevonden […]
Na een onderhoud van 3 uur waarbij er 2 x een afkoelingsperiode is ingelast, kwam ik tot de conclusie dat er geen overeenstemming zou komen aangezien er steeds wijzigingen kwamen in de eisen van [gedaagde] .”
Per brief van 27 maart 2026 heeft de advocaat van de man de vrouw verzocht om de woning voor 15 april 2026 te verlaten.
Op dit moment woont de vrouw in de woning en betaalt de man maandelijks de volledige huur.
3 Het geschil
De man vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de vrouw veroordeelt om binnen drie dagen na betekening van het vonnis de woning te ontruimen met medeneming van haar spullen, onder afgifte van de sleutels aan de man en de woning in behoorlijke staat aan de man ter beschikking te stellen;
II. de vrouw te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. Partijen zijn overeengekomen dat de vrouw de woning zou verlaten. Daarnaast weegt het belang van de man zwaarder. De man heeft geen alternatieve woonruimte ter beschikking. Hij verblijft momenteel afwisselend bij zijn ouders en vrienden. Deze situatie is onhoudbaar. De man betaalt op dit moment de volledige huur. De vrouw kan de huur niet betalen.
De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4 De beoordeling van het geschil
Spoedeisend belang
Partijen zijn het erover eens dat de vrouw en de man niet meer in de woning kunnen samenwonen. Zij willen allebei het uitsluitend gebruik van de woning. Volgens de vrouw heeft de man echter geen spoedeisend belang bij zijn vordering, omdat hij een nieuwe vriendin heeft waar hij inmiddels mee zou samenwonen. De man betwist dat hij samenwoont met een nieuwe vriendin (verder: vriendin). De man heeft ter zitting verklaard dat hij deze vriendin heeft geholpen met verhuizen en dat hij “na het stappen” wel eens bij haar heeft overnacht, maar van samenwonen is geen sprake. Bij deze stand van zaken is onvoldoende aannemelijk dat de man met een ander samenwoont en over alternatieve woonruimte beschikt. In het verlengde daarvan heeft de man benadrukt dat sprake is van een onhoudbare situatie, omdat hij momenteel afwisselend bij zijn ouders en vrienden verblijft. Daarmee is het spoedeisend belang bij de vordering van de man gegeven.
Onvoldoende aannemelijk dat overeenstemming is bereikt
De man heeft aangevoerd dat partijen overeenstemming hebben bereikt over het verlaten van de woning door de vrouw. Volgens de man hebben partijen meerdere gesprekken gevoerd waarin is besproken dat de vrouw de woning zou verlaten en bestond er alleen nog discussie over de verdeling van de inboedel en een geldbedrag. Het overleg tussen partijen is stukgelopen, omdat de vrouw als compensatie een geldbedrag verlangde. Dat laat volgens de man onverlet dat ten aanzien van het (voorlopig) uitsluitend gebruik van de woning overeenstemming is bereikt.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is onvoldoende aannemelijk dat partijen zijn overeengekomen dat de vrouw de woning definitief zou verlaten. Partijen hebben gesproken over het verlaten van de woning door de vrouw, de verdeling van de inboedel en betaling van een geldbedrag, maar dat overeenstemming is bereikt is niet gebleken. In dit verband heeft de vrouw terecht gewezen op de brief van haar oom van 1 maart 2026, waarin is aangegeven ‘dat er geen overeenstemming zou komen’.
Belangenafweging
Met de gevorderde ontruiming vordert de man in feite dat het voorlopig uitsluitend gebruik van de huurwoning hem toekomt. Partijen zijn beiden medehuurder van de woning, zodat zij in beginsel evenveel recht hebben op het gebruik van de woning. De vraag of de voorzieningenrechter moet ingrijpen in de huidige situatie – door de vrouw tot ontruiming van de woning te veroordelen in afwachting van een beslissing van de bodemrechter over de toekenning van het huurrecht aan de vrouw of de man – moet aan de hand van een belangenafweging worden beantwoord.
Partijen hebben beiden aangevoerd dat zij niet over alternatieve woonruimte beschikken: beiden kunnen – zo moet de voorzieningenrechter aannemen – niet voor langere tijd bij de ouders, vrienden of ergens anders terecht. De man heeft aangevoerd dat hij alle vaste lasten van de woning betaalt en dat de vrouw niet in staat is om de vaste lasten te dragen. De vrouw heeft ter zitting bevestigd dat de man geruime tijd de volledige huur van de woning heeft betaald, maar zij heeft (onder verwijzing naar een recente loonstrook) aangegeven dat zij ook in staat is om de huurlasten te dragen. De vrouw heeft sinds 20 april 2026 een baan waarmee zij € 2.100 bruto per maand verdient. Ook kan de vrouw aanspraak maken op huurtoeslag. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarmee voldoende aannemelijk dat de vrouw inmiddels in staat is om de huur van ongeveer € 700 en de overige vaste lasten te betalen. Dat de man tot op heden alle vaste lasten heeft betaald, heeft in het kader van de belangenafweging onvoldoende gewicht om de vrouw tot ontruiming van de woning te veroordelen.
Daarnaast beschuldigen partijen elkaar van agressief gedrag. Voor de voorzieningenrechter is niet duidelijk geworden wat zich precies heeft afgespeeld, zodat dit geen rol kan spelen bij de belangenafweging.
Partijen hebben geen andere argumenten aangedragen op basis waarvan hun belang bij het gebruik van de woning zwaarder weegt dan het belang van de ander. Bij deze stand van zaken bestaat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding om, in afwachting van een beslissing van de bodemrechter over de toekenning van het huurrecht aan de vrouw of de man, in te grijpen in de huidige situatie. Dit betekent dat de vordering van de man wordt afgewezen en dat de vrouw voorlopig in de woning mag blijven. Hoewel dat niet in de hieronder te geven beslissing terechtkomt, overweegt de voorzieningenrechter dat het in de rede ligt dat de vrouw de huursom (en de overige lasten) van de woning voor haar rekening neemt zo lang zij exclusief in de woning verblijft.
Proceskosten
In de omstandigheid dat partijen een affectieve relatie met elkaar hebben gehad, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.