Civiel recht overig
Vaststelling staatloosheid.
Rechtbank Den Haag, 20 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:27370 · Rechtbank Den Haag · 20 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-27370
Zaakgegevens
Op 20 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 20 augustus 2026
- Datum publicatie
- 20 september 2026
- Zaaknummer
- C/09/697857 / HA RK 26-36
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. E.G. Grigorjan in ’s-Hertogenbosch.
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27370
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vaststelling staatloosheid.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 26-36
Zaaknummer: C/09/697857
Datum beschikking: 20 augustus 2026
Vaststelling van staatloosheid
Beschikking op het op 14 januari 2026 ingekomen verzoekschrift van:
[verzoeker] ,
verzoeker,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.G. Grigorjan in ’s-Hertogenbosch.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna: de Staat,
zetelende in ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. K.A. Iwaarden.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van 18 juni 2026 van de Staat, met bijlagen;
- de brief van 27 juli 2026 van de Staat.
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met dat wat door verzoeker is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen.
Feiten
De volgende feiten blijken uit het dossier:
- Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] , Gaza.
- Verzoeker heeft op 6 november 2025 in Nederland een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel.
- Bij beschikking van 13 januari 2026 is aan verzoeker een verblijfsvergunning asiel verleend, geldig tot 6 november 2030.
- Verzoeker is in het bezit van een Palestijns paspoort en een verklaring van de Palestijnse Missie in Den Haag.
- De Koninklijke Marechaussee heeft dit paspoort onderzocht op echtheid en positief beoordeeld. Bureau Documenten heeft de verklaring van de Palestijnse Missie in Den Haag onderzocht op echtheid en positief beoordeeld.
Verzoek en het advies van de Staat
Verzoeker verzoekt vast te stellen dat hij staatloos is.
De Staat adviseert het verzoek toe te wijzen.
Beoordeling
Vaststelling staatloosheid
Juridisch kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid, hierna: Wvs).
Op grond van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op grond van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien haar niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoeker in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoeker onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek.
Relevante landen
Verzoeker stelt dat hij geboren is in Gaza en daar tot 20 augustus 2023 heeft gewoond. Daarna is hij naar Turkije vertrokken, waar hij tot 22 juli 2024 heeft verbleven. Toen is hij vertrokken naar Griekenland en heeft daar tot 28 oktober 2025 verbleven. In november 2025 is hij in Nederland aangekomen.
Gelet op de overgelegde stukken en dat wat op de zitting is besproken, zal de rechtbank de Palestijnse gebieden, Turkije en Griekenland bij de beoordeling van het verzoek tot vaststelling van de staatloosheid van verzoeker betrekken. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat verzoeker een andere nationaliteit kan hebben verkregen.
Wordt verzoeker als onderdaan van de Palestijnse Gebieden beschouwd?
Gelet op de door verzoeker overgelegde documenten – welke documenten echt zijn bevonden door Bureau Documenten van de IND – in onderlinge samenhang bezien is het aannemelijk dat verzoeker van Palestijnse afkomst is. Voor zover verzoeker de Palestijnse nationaliteit heeft, geldt het volgende.
Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ‘Werkinstructie SUA’ van 11 december 2020 van de IND (nummer en titel: WI 2020/19 Palestijnen, hierna te noemen: de Werkinstructie) volgt dat Nederland de staat Palestina en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen afkomstig uit de Palestijnse gebieden daarom als staatloos, tenzij zij nog een andere nationaliteit hebben.
Wordt verzoeker als onderdaan van Turkije beschouwd?
De regels ten aanzien van de verkrijging en het verlies van de Turkse nationaliteit zijn vastgelegd in de Wet op het Turkse staatsburgerschap (hierna: Stbw). Om via naturalisatie in aanmerking te komen voor de Turkse nationaliteit dient een vreemdeling gedurende vijf jaar voorafgaand aan de datum van het verzoek om naturalisatie ononderbroken in Turkije ingeschreven zijn geweest (artikel 11 Stbw).
Verzoeker heeft van 22 augustus 2023 tot 22 juli 2024 in Turkije verbleven. De rechtbank volgt de conclusie van de Staat dat het niet aannemelijk is dat verzoeker de Turkse nationaliteit heeft verkregen.
Wordt verzoeker als onderdaan van Griekenland beschouwd?
De verkrijging van de Griekse nationaliteit middels naturalisatie wordt geregeld in artikel 5 van de Griekse nationaliteitswet. Eén van de voorwaarden voor naturalisatie is dat een persoon minimaal zeven jaar voor het indienen van het naturalisatieverzoek wettig inwoner is geweest van Griekenland (artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d van de Griekse nationaliteitswet).
Verzoeker heeft verklaard van 22 juli 2024 tot 28 oktober 2025 in Griekenland te hebben verbleven. Daar heeft hij een verblijfsvergunning gekregen, geldig tot november 2026. Met de Staat is de rechtbank van oordeel dat het niet aannemelijk is dat verzoeker de Griekse nationaliteit heeft verkregen, omdat hij minder dan zeven jaar in Griekenland heeft verbleven en tevens niet is gebleken dat verzoeker onder één van de uitzondering zoals geformuleerd in artikel 5 van de Griekse nationaliteitswet valt.
Conclusie
De rechtbank stelt, gelet op het voornoemde, de staatloosheid van verzoeker vast.
De rechtbank stuurt, na het onherroepelijk worden van deze beschikking, een afschrift van de beschikking naar de woongemeente van verzoeker.
Beslissing
De rechtbank:
*
stelt vast dat verzoeker staatloos is.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, rechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier en uitgesproken op de openbare zitting van 20 augustus 2026.