Verbintenissenrecht

Executiegeschil dwangsommen zorg- contact en informatieregeling. Opheffing gelegde executoriaal beslag en…

Rechtbank Den Haag, 6 juli 2026

Zaakgegevens

Op 6 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
6 juli 2026
Datum publicatie
24 augustus 2026
Zaaknummer
C/09/704837 KG ZA 26-482
Procedure
Kort geding
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:23827
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Executiegeschil dwangsommen zorg- contact en informatieregeling. Opheffing gelegde executoriaal beslag en verbod treffen executiemaatregelen.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/704837 / KG ZA 26-482

Vonnis in kort geding van 6 juli 2026

in de zaak van

[de moeder] te [woonplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. K. Spaargaren te Maarsbergen,

tegen:

[de vader] te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. L.G.P.A. van Putten-van den Heuvel te Oss.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de moeder’ en ‘de vader’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 8 juni 2026, met producties 1 tot en met 7:

- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 10;

- de op 26 juni 2026 door de moeder overgelegde productie 8;

- de op 29 juni 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij de zaak achter gesloten deuren is behandeld en door de moeder pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 (hierna: ‘ [minderjarige] ’).

2.2.

De rechtbank Oost-Brabant heeft bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 12 april 2019 bepaald dat partijen gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uitoefenen. Daarnaast heeft de rechtbank in deze beschikking – voor zover thans van belang – een zorgregeling vastgesteld op grond waarvan [minderjarige] eenmaal per veertien dagen van vrijdag 18:00 uur tot zondag 17.00 uur en een deel van de vakanties en feestdagen bij de vader verblijft. Daarnaast heeft de rechtbank een contactregeling vastgesteld op grond waarvan [minderjarige] en de vader eenmaal per week gerechtigd zijn tot contact via FaceTime. Ook heeft de rechtbank in deze beschikking bepaald dat de moeder de vader maandelijks per e-mail dient te informeren over het algehele welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige] . In spoedeisende en andere direct noodzakelijke gevallen is de moeder op grond van deze beschikking verplicht de vader direct te informeren. De rechtbank heeft de nakoming van zowel de zorg- en contactregeling als de informatieregeling met een dwangsom versterkt. Daarbij gaat het om een voor rechterlijke matiging vatbare dwangsom van € 250,-- per dag/overtreding, met een maximum van € 15.000,--, die zal gelden na betekening van de beschikking aan de moeder.

2.3.

[minderjarige] verbleef tot 1 februari 2026 conform de beschikking van 12 april 2019 eenmaal per veertien dagen een weekend en een deel van de vakanties en feestdagen bij de vader.

2.4.

Op 13 februari 2026 heeft [minderjarige] de rechtbank Oost-Brabant via de informele rechtsingang verzocht om te bepalen dat hij niet meer naar de vader hoeft te gaan. De moeder heeft bij op 9 maart 2026 ter griffie van die rechtbank ingekomen verzoekschrift verzocht om de beschikking van 12 april 2019 te wijzigen, in die zin dat zowel de zorg- en contactregeling als de dwangsomregeling komt te vervallen. De vader heeft verweer gevoerd tegen deze verzoeken en bij wege van zelfstandig verzoek verzocht de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen en hem te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] . De kinderrechter in de rechtbank Oost-Brabant heeft de verzoeken van [minderjarige] en partijen tijdens een mondelinge behandeling op 16 april 2026 gelijktijdig behandeld. Voorafgaand aan die mondelinge behandeling heeft de kinderrechter op 6 maart 2026 met [minderjarige] gesproken.

2.5.

Hangende de onder 2.4 bedoelde procedure bij de rechtbank Oost-Brabant heeft de moeder de vader in kort gedagvaard voor de voorzieningenrechter van deze rechtbank. In die procedure vorderde de moeder de bij beschikking van 12 april 2019 vastgestelde zorg- en contactregeling en de dwangsomregeling met ingang van 18 februari 2026 te schorsen. De voorzieningenrechter heeft bij mondelinge uitspraak van 21 april 2026 de zorg- en contactregeling tussen de vader en [minderjarige] geschorst totdat de bodemrechter meer of anders beslist of [hulpverlener] in samenspraak met partijen heeft vastgesteld dat er bij [minderjarige] ruimte is voor contact (in welke vorm dan ook) met de vader, waarbij [hulpverlener] de ‘lead’ heeft met betrekking tot (de wijze van) contactherstel tussen de vader en [minderjarige] . Daarbij heeft de voorzieningenrechter overwogen dat als gevolg van die schorsing met ingang van 21 april 2026 door de moeder geen dwangsommen kunnen worden verbeurd op basis van het niet-nakomen van de beschikking van 12 april 2019.

2.6.

De rechtbank Oost-Brabant heeft bij beschikking van 19 mei 2026 de beschikking van 12 april 2019 gewijzigd, in die zin dat in plaats van de tot dat moment geldende zorg- en contactregeling een tijdelijke contactregeling tussen de vader en [minderjarige] is vastgesteld. De vader en [minderjarige] zijn op grond van die contactregeling gerechtigd om wekelijks eenmaal contact met elkaar te hebben via FaceTime in het bijzijn van een vertrouwenspersoon voor [minderjarige] , niet zijnde de moeder. De rechtbank heeft daarnaast de looptijd van de veroordeling van de moeder tot betaling van een dwangsom opgeschort in afwachting van een definitieve beslissing over het contact tussen [minderjarige] en de vader. Die definitieve beslissing heeft de rechtbank pro forma aangehouden tot 4 november 2026 met het verzoek aan de raad voor de kinderbescherming (hierna: ‘de raad’) om in het kader van het reeds door de raad aangekondigde beschermingsonderzoek ook onderzoek te doen naar – kort gezegd – de mogelijkheden van contact tussen [minderjarige] en de vader. De rechtbank heeft de raad verzocht uiterlijk op 21 oktober 2026 hierover te rapporteren en te adviseren. De rechtbank heeft in de beschikking van 19 mei 2026 onder meer het volgende overwogen:

“ [minderjarige] heeft aan de rechter gevraagd te bepalen dat hij niet meer naar zijn vader hoeft te gaan. [minderjarige] vindt dat hij bij zijn vader niet zichzelf kan zijn en heeft verteld dat hij veel stress heeft van de situatie rondom zijn vader. (…)

De rechtbank stelt voorop zich zorgen te maken over de ontwikkeling en gezondheid van [minderjarige] . Duidelijk is dat het al lange tijd niet goed met hem gaat, wat ook wordt gezien door de raad. Er is bij [minderjarige] sprake van uitval op school, gewichtsverlies en mentale problemen. Deze zorgen zijn voor de raad aanleiding geweest om te beslissen dat er een beschermingsonderzoek moet worden verricht. De raad verwacht omstreeks juni 2026 te kunnen starten met het onderzoek.

Gelet op de zorgen die er zijn, de vragen die er spelen en het feit dat het beschermingsonderzoek nog moet worden opgestart, ziet de rechtbank zich op dit moment onvoldoende geïnformeerd om te beoordelen of en zo ja, welke contactregeling in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank acht het daarom noodzakelijk dat het beschermingsonderzoek van de raad wordt uitgebreid met een onderzoek naar de mogelijkheden voor een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] . (…)

Anders dan de vader, acht de rechtbank voortzetting van de huidige zorgregeling nu niet in het belang van [minderjarige] en ook niet passend bij de situatie. Het gaat al lange tijd niet goed met [minderjarige] en hij laat zo’n grote weerstand zien tegen contact met zijn vader dat van de moeder niet kan worden gevergd dat zij [minderjarige] dwingt om naar de vader te gaan. Het dwingen van [minderjarige] zou mogelijk ook tot een verdere verslechtering van zijn mentale en fysieke gesteldheid kunnen leiden. De rechtbank betrekt daarbij dat [minderjarige] aan de rechter heeft verteld dat hij last heeft van paniekaanvallen en stress bij de gedachte dat hij om het weekend naar zijn vader moet blijven gaan.

De rechtbank acht het daarom in het belang van [minderjarige] om de huidige zorgregeling te wijzigen en het contact tussen de vader en [minderjarige] tijdelijk in te perken, zodat [minderjarige] minder stress ervaart en zich kan concentreren op zijn fysieke en mentale gezondheid.”

2.7.

De vader heeft de beschikking van 12 april 2019 op 20 maart 2026 door de deurwaarder aan de moeder laten betekenen, met de aanzegging dat de moeder in de periode van 14 februari 2026 tot en met 15 maart 2026 veertien keer in strijd heeft gehandeld met die beschikking, waardoor zij een bedrag van € 3.500,-- aan dwangsommen heeft verbeurd. De moeder is daarbij bevolen om dit bedrag, vermeerderd met de kosten van het betekeningsexploot ad € 166,50, binnen twee dagen te voldoen, met de aanzegging dat bij gebreke van betaling tot executie zal worden overgegaan.

2.8.

De vader heeft op 26 maart 2026 ten laste van de moeder executoriaal beslag gelegd op haar tegoeden bij ABN AMRO Bank N.V.

3 Het geschil

3.1.

De moeder vordert – zakelijk weergegeven – na verduidelijking van haar eis ter zitting bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, het op 26 maart 2026 door de vader gelegde executoriale beslag op te heffen en de vader te verbieden om uit hoofde van de beschikking van 12 april 2019 (opnieuw) executiemaatregelen te treffen over de periode tot en met 21 april 2026. Daarnaast vordert de moeder een veroordeling van de vader tot betaling van de ten onrechte bij haar in rekening gebrachte kosten van het betekeningsexploot ad € 166,50 en een veroordeling van de vader in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert de moeder – samengevat – het volgende aan. Primair stelt de moeder dat de vader de beschikking van 12 april 2019 voor het eerst op 20 maart 2026 aan haar heeft betekend. Dit heeft volgens de moeder tot gevolg dat pas vanaf die datum dwangsommen door haar konden worden verbeurd. Subsidiair weerspreekt de moeder dat zij de beschikking van 12 april 2019 in de periode van 14 februari 2026 tot en met 15 maart 2026 niet heeft nageleefd. Volgens de moeder heeft de vader de door hem gestelde veertien overtredingen van de zorg- en contactregeling en de informatieregeling onvoldoende gespecificeerd. Voor zover omgang en contact niet conform de beschikking hebben plaatsgevonden, beroept de moeder zich op overmacht. Daarbij wijst de moeder erop dat [minderjarige] zowel aan haar als aan de kinderrechter te kennen heeft gegeven dat hij (voorlopig) geen contact wil met de vader en dat zij [minderjarige] vanwege zijn leeftijd en sterke eigen wil niet tot dat contact kan dwingen.

3.3.

De vader voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

In dit executiegeschil moet worden beoordeeld of de moeder dwangsommen heeft verbeurd doordat zij – zoals de vader stelt – in de periode van 14 februari 2026 tot en met 15 maart 2026 veertien keer haar medewerking aan de door de rechtbank in de beschikking van 12 april 2019 vastgestelde zorg- en contactregeling en/of informatieregeling heeft onthouden. In het kader van die beoordeling dient de voorzieningenrechter naar vaste rechtspraak de ter uitvoering van de beschikking van 12 april 2019 door de moeder verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van die beschikking, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de voorzieningenrechter het doel en de strekking van de in die beschikking door de rechtbank genomen beslissingen tot richtsnoer te nemen, in die zin dat die beslissingen niet verder strekken dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. De voorzieningenrechter kan geen eigen oordeel geven over de juistheid van de rechterlijke beslissing die ten uitvoer wordt gelegd of van de onderliggende rechtsoverwegingen. De onderliggende rechtsverhouding ligt immers niet (opnieuw) ter beoordeling voor.

4.2.

De moeder heeft in de eerste plaats gesteld dat de vader de beschikking van 12 april 2019 voor het eerst op 20 maart 2026 aan haar heeft betekend. Zij meent dat zij om die reden over de periode van 14 februari tot en met 15 maart 2026 geen dwangsommen kan hebben verbeurd. Die stelling wordt gepasseerd. De deurwaarder heeft in het exploot van 20 maart 2026 expliciet aangezegd dat de beschikking van 12 april 2019 op 24 april 2019 aan de moeder is betekend. Nog daargelaten dat in beginsel mag worden uitgegaan van de juistheid van de inhoud van een door een deurwaarder op ambtseed opgemaakt betekeningsexploot, geldt in dit geval dat de vader ter zitting het betekeningsexploot van 24 april 2019 digitaal aan zowel de advocaat van de moeder als de voorzieningenrechter heeft getoond. Het betoog van de moeder dat de voorzieningenrechter van het exploot van 24 april 2019 geen kennis had mogen nemen omdat de vader het al eerder in deze procedure had moeten inbrengen, wordt gepasseerd. De moeder heeft immers voor het eerst tijdens de zitting het standpunt ingenomen dat de beschikking van 12 april 2019 pas op 20 maart 2026 aan haar is betekend. De vader komt op grond van het beginsel van hoor en wederhoor het recht toe om dit standpunt van de moeder door middel van het tonen van het desbetreffende exploot te weerleggen. Daarbij tekent de voorzieningenrechter aan dat de moeder ter zitting de gelegenheid heeft gehad om op het verweer van de vader te reageren en zij dus niet in enig procesbelang is geschaad.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat sinds 1 februari 2026 geen uitvoering meer wordt gegeven aan de in de beschikking van 12 april 2019 vastgestelde zorgregeling. Ook het in deze beschikking vastgestelde wekelijkse contactmoment tussen [minderjarige] en de vader via FaceTime heeft vanaf die datum nog slechts sporadisch plaatsgevonden en deze contactmomenten zijn – naar de voorzieningenrechter begrijpt tot ongenoegen van de vader – kennelijk van korte duur geweest. Evenmin staat ter discussie dat de vader van omgang met [minderjarige] heeft afgezien tijdens het weekend van 27 februari tot en met 1 maart 2026. De vader is echter van mening dat het maandenlang uitblijven van omgang en contact met [minderjarige] volledig aan de moeder te wijten is en om die reden heeft zij volgens hem uit hoofde van de beschikking van 12 april 2019 dwangsommen verbeurd. De voorzieningenrechter volgt de vader in dit standpunt niet. Zij licht dat als volgt toe.

4.4.

De voorzieningenrechter constateert dat de beschikking van 12 april 2019 inmiddels deels is achterhaald door de beschikking van 19 mei 2026. In laatstgenoemde beschikking heeft de kinderrechter in de rechtbank Oost-Brabant de beschikking van 12 april 2019 gewijzigd, in die zin dat de op 12 april 2019 vastgestelde zorg- en contactregeling (die de moeder volgens de vader niet heeft nageleefd) niet langer van kracht is en een tijdelijke contactregeling is vastgesteld voor de duur van het onderzoek van de raad. Tevens is de looptijd van de veroordeling van de moeder tot betaling van een dwangsom opgeschort in afwachting van een definitieve beslissing over het contact tussen [minderjarige] en de vader. De periode waarover de moeder volgens de vader dwangsommen heeft verbeurd, te weten 14 februari 2026 tot en met 15 maart 2026, maakt dat in deze procedure moet worden getoetst of de moeder de in de (op dat moment nog niet (deels) gewijzigde of geschorste, zie 2.5) beschikking van 12 april 2019 opgenomen zorgregeling en informatieregeling deugdelijk heeft nageleefd.

4.5.

De vader is het, blijkens de inhoud van zijn conclusie van antwoord en de ter zitting gegeven toelichting op zijn verweer, pertinent oneens met de beschikking van 19 mei 2026. Volgens de vader zijn de gedragingen van de moeder, die zich, naar zijn zeggen met het vooropgezette doel om hem uit het leven van [minderjarige] te wissen, al jarenlang stelselmatig schuldig maakt aan smaad, laster en manipulatie, er debet aan dat [minderjarige] een groot loyaliteitsconflict heeft. Hierdoor is [minderjarige] psychisch zodanig vastgelopen dat hij in zijn beleving niets anders kan doen dan zijn vader te verstoten. De vader vindt het onbegrijpelijk dat de kinderrechter dit niet heeft onderkend. De voorzieningenrechter benadrukt dat in dit executiegeschil (zie ook 4.1) de rechtmatigheid van de beschikking van 19 mei 2026 niet ter discussie kan worden gesteld. Dit betekent dat de voorzieningenrechter moet uitgaan van de juistheid van de in die beschikking door de kinderrechter genomen beslissingen en de aan die beslissingen ten grondslag liggende overwegingen.

4.6.

Uit de beschikking van 19 mei 2026 volgt dat [minderjarige] , zowel in zijn brief aan de kinderrechter van 13 februari 2026 als in zijn gesprek met die rechter op 6 maart 2026, te kennen heeft gegeven dat hij geen contact met de vader wil. Die omstandigheid en het feit dat het al langere tijd niet goed met [minderjarige] gaat, maken naar het oordeel van de kinderrechter dat van de moeder in redelijkheid niet gevergd kan worden dat zij [minderjarige] dwingt om naar zijn vader te gaan. Dit zou volgens de kinderrechter mogelijk tot een verslechtering van zijn mentale en fysieke gesteldheid kunnen leiden. De omstandigheden die de kinderrechter op 19 mei 2026 tot het oordeel hebben geleid dat van de moeder in redelijkheid niet kan worden gevergd dat zij [minderjarige] tot contact met de vader dwingt, deden zich – gelet op de datum van de kindbrief en het feit dat het al langere tijd niet goed met [minderjarige] gaat – ook al voor gedurende de periode waarin de moeder volgens de vader dwangsommen heeft verbeurd, te weten van 14 februari 2026 tot en met 15 maart 2026. Ook toen zag de moeder zich dus al geconfronteerd met een kind dat uitdrukkelijk te kennen gaf geen contact met zijn vader te willen. Dit brengt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat van de moeder evenmin in redelijkheid kon worden gevergd dat zij [minderjarige] gedurende de periode van 14 februari 2026 tot en met 15 maart 2026 tot contact met de vader dwong. Dit betekent dat het subsidiair door de moeder gedane beroep op overmacht slaagt. De moeder heeft dus gedurende die periode geen dwangsommen verbeurd als gevolg van het onthouden van medewerking aan de op 12 april 2019 vastgestelde zorg- en contactregeling.

4.7.

Daarmee resteert de vraag of de moeder gedurende de periode van 14 februari 2026 tot en met 15 maart 2026 dwangsommen heeft verbeurd vanwege een schending van de bij beschikking van 12 april 2019 aan haar opgelegde informatieregeling. De voorzieningenrechter beantwoordt ook die vraag ontkennend en licht dat als volgt toe.

4.8.

Vooropgesteld wordt dat de met een dwangsom versterkte informatieregeling inhoudt dat de moeder de vader maandelijks per e-mail dient te informeren over het algehele welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige] en dat de moeder in spoedeisende en andere direct noodzakelijke gevallen de vader op grond van deze beschikking verplicht moet informeren. Met andere woorden, anders dan de vader kennelijk veronderstelt, is buiten de maandelijkse e-mail slechts in bijzondere gevallen sprake van een informatieregeling waaraan een dwangsom is verbonden. Niet elk onbeantwoord of niet naar tevredenheid beantwoord e-mailtje leidt dus tot een verbeurde dwangsom. De voorzieningenrechter wijst hier op, omdat de vader ter zitting heeft verklaard in de periode 24 april 2019 tot en met 22 april 2026 honderden e-mails aan de moeder te hebben verzonden.

4.9.

De vader heeft in deze procedure een overzicht verstrekt (productie 1 bij conclusie van antwoord) van alle overtredingen van de beschikking van 12 april 2019 waaraan de moeder zich naar zijn mening schuldig heeft gemaakt. Dit overzicht beslaat de periode van 24 april 2019 (de eerste betekening van de beschikking) tot en met 22 april 2026 (de dag na de schorsing door de voorzieningenrechter). De vader heeft beslag gelegd wegens overtredingen in de periode 14 februari 2026 tot en met 15 maart 2026. Blijkens dit overzicht gaat het dan om vier schendingen van de informatieregeling, die volgens de vader hebben plaatsgevonden op respectievelijk 17 februari 2026, 23 februari 2026, 25 februari 2026 en 2 maart 2026. De vader heeft niet gesteld dat de moeder in februari - maart 2026 niet de voorgeschreven maandelijkse e-mail heeft verzonden. Het moet in het geval van de door de vader gestelde schendingen dus telkens gaan om spoedeisende en andere direct noodzakelijke gevallen.

4.10.

Wat betreft de gestelde schending op 17 februari 2026 ‘emailverzoek van vader aan moeder’ overweegt de voorzieningenrechter dat beide partijen een e-mail van de moeder hebben overgelegd van 17 februari 2026 om 21.00 uur, waarin de moeder de vader op de hoogte heeft gesteld van het consult bij de huisarts en iets verbeterde medische situatie van [minderjarige] en ze heeft aangekondigd hem op 18 februari 2026 om 12.00 uur naar de vader te brengen voor de zorgregeling. De vader heeft op 17 februari 2026 om 21.33 uur geantwoord: “Bijzonder hoe dit verloopt. Wat heeft je doen besluiten om [minderjarige] morgen te brengen en hoe denkt [minderjarige] hier volgens jou over? Ik zie jullie morgen om 12.00 uur. De huisarts heeft mij over dit consult gemaild.” De moeder heeft hierop (en op een door de vader verzonden SMS) niet gereageerd voordat ze [minderjarige] de volgende dag voor de omgang naar zijn vader bracht. Hoe daaruit (mede tegen de achtergrond van de e-mail van de moeder van 13 februari 2026, waarin zij schreef: “Ik verzoek je dringend om in te stemmen met het thuisblijven van [minderjarige] gedurende deze vakantie, in het belang van de gezondheid en veiligheid van onze zoon. Ik vind het zeer jammer dat wij hier als ouders geen afspraken over kunnen maken. Ik heb meerdere malen geprobeerd hierover met jou in contact te komen, maar ik krijg hier geen gehoor op. Ik betreur het enorm dat jij het gevoel en de uitingen van [minderjarige] niet serieus wilt nemen. Dat zou al een onderdeel van een oplossing kunnen zijn.” en de door de vader op 15 februari, 16 februari 2026 en 17 februari 2026 aan de moeder verzonden e-mails, waarin hij telkens bevestigt dat de zorgregeling op die dagen niet is nagekomen) een schending van de informatieregeling moet worden afgeleid, is de voorzieningenrechter niet duidelijk. Uit de zinsnede: “Ik zie jullie morgen om 12.00 uur.” kon de moeder redelijkerwijs afleiden dat, ook als ze niet zou antwoorden, de zorgregeling voor wat betreft de vader door zou gaan.

4.11.

Op 23 februari 2026 heeft de vader de moeder verzocht alsnog te reageren op een e-mail van 6 februari 2026, die hij had verstuurd naar aanleiding van een mail van de moeder van 6 februari 2026, waarin zij aan de vader te kennen geeft “Even ter afstemming een praktische afspraak. Appen met [minderjarige] gebeurt alleen wanneer hij dat zelf wil. Er worden geen afspraken of beloftes van hem verwacht over wanneer of hoe hij reageert. [minderjarige] kan altijd contact opnemen wanneer hij dat wenst; ik ondersteun hem hierin waar nodig. Dit is hoe ik het hanteer.” De vader heeft de moeder op 6 februari 2026 teruggemaild “Het is mij niet duidelijk wat je met deze mail bedoelt en waarom je deze mail stuurt. Wat heb jij met [minderjarige] hierover besproken? Graag ontvang ik dan ook een nadere uitleg.” Het enkele feit dat de moeder de e-mails van de vader van 6 februari 2026 en 23 februari 2026 niet heeft beantwoord, kan niet als schending van de informatieregeling worden aangemerkt. In dit geval is geen sprake van het onthouden van informatie in een spoedeisend dan wel een andere direct noodzakelijk geval.

4.12.

De gestelde overtreding op 25 februari 2026 houdt eveneens verband met de mailwisseling tussen partijen op 6 februari 2026. De vader uit in zijn e-mail van 25 februari 2026 richting de moeder zijn ongenoegen over het feit dat hij na haar e-mail van 6 februari 2026 nog slechts twee appjes van [minderjarige] heeft ontvangen. Die enkele omstandigheid levert – ook als deze juist is – geen grond om op 25 februari 2026 een schending van de informatieregeling door de moeder aan te kunnen nemen.

4.13.

Op 2 maart 2026 heeft de moeder de vader geïnformeerd over een verplaatste huisartsafspraak van [minderjarige] . Ze vermeldde daarbij “ [minderjarige] was zo moe na het intakegesprek met [hulpverlener] dat dit een betere optie is.” De vader heeft weliswaar in reactie op deze e-mail te kennen gegeven dat de moeder zich ‘wederom niet op gepaste wijze aan de informatieplicht houdt’, maar ook hieruit kan geen schending van de informatieregeling worden afgeleid.

4.14.

Uit het voorgaande volgt dat de vader niet aannemelijk heeft gemaakt dat de moeder gedurende de periode vanaf 14 februari 2026 tot en met 15 maart 2026 uit hoofde van de beschikking van 12 april 2019 dwangsommen heeft verbeurd. De voorzieningenrechter zal daarom het op 26 maart 2026 door de vader ten laste van de moeder gelegde executoriale beslag op haar tegoeden bij ABN AMRO Bank N.V. opheffen. Die executiehandeling van de vader is in de gegeven omstandigheden immers onrechtmatig jegens de moeder.

4.15.

De moeder vordert daarnaast een verbod voor de vader om uit hoofde van de beschikking van 12 april 2019 (opnieuw) executiemaatregelen te treffen over de periode van – naar de voorzieningenrechter begrijpt – 12 april 2019 tot en met 21 april 2026. In het kader van die vordering stelt de voorzieningenrechter voorop dat in artikel 611g Rv is bepaald dat een dwangsom verjaart door verloop van zes maanden na de dag waarop zij verbeurd is. Dit betekent dat dwangsommen die volgens de vader in de periode van 12 april 2019 tot en met 6 januari 2026 zijn verbeurd en waarop door hem geen aanspraak is gemaakt, inmiddels zijn verjaard. De moeder heeft dus geen belang bij een verbod tot het treffen van executiemaatregelen voor die periode.

4.16.

Vervolgens is de vraag of de moeder belang heeft bij het gevorderde verbod voor de periode van 6 januari 2026 tot en met 21 april 2026. Voor wat betreft het verbod om executiemaatregelen te treffen in verband met het niet-naleven van de zorg- en contactregeling dient die vraag bevestigend te worden beantwoord. Daartoe is van belang dat de moeder (in ieder geval) gedurende die periode is geconfronteerd met een dusdanig grote weerstand van [minderjarige] tegen contact met de vader dat van haar in redelijkheid niet kon worden gevergd dat zij [minderjarige] tot dit contact dwong. Dit betekent dat zij gedurende die periode op die grondslag geen dwangsommen kan hebben verbeurd.

4.17.

Voor wat betreft de bij beschikking van 12 april 2019 vastgestelde informatieregeling kan voorshands niet worden uitgesloten dat de moeder in de periode 6 januari 2026 tot en met 21 april 2026 dwangsommen heeft verbeurd. De voorzieningenrechter kan dat in dit geding niet beoordelen. De vordering van de moeder zal hierom in zoverre worden afgewezen. Daarbij tekent de voorzieningenrechter nog aan dat de vader vanzelfsprekend niet opnieuw executiemaatregelen kan treffen op basis van de in deze procedure gestelde vier schendingen van de informatieregeling.

4.18.

Tenslotte vordert de moeder een veroordeling van de vader tot betaling van de volgens haar ten onrechte bij haar in rekening gebrachte kosten van het betekeningsexploot ad € 166,50. Die vordering is niet toewijsbaar. Gesteld noch gebleken is immers dat de moeder naar aanleiding van de door de vader getroffen executiemaatregelen enig bedrag aan de vader heeft voldaan en evenmin dat uit hoofde van het gelegde executoriaal beslag enig bedrag aan de vader is uitgekeerd. Voor zover in dat verband wel enig bedrag aan de vader ten goede is gekomen, is hij gehouden om dit bedrag per omgaande aan de moeder terug te betalen.

4.19.

In de omstandigheid dat partijen een affectieve relatie hebben gehad, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

heft op het op 26 maart 2026 door de vader ten laste van de moeder gelegde executoriale beslag onder ABN AMRO Bank N.V.;

5.2.

verbiedt de vader om executiemaatregelen te treffen wegens vermeende schendingen van de in de beschikking van 12 april 2019 bepaalde zorg- en contactregeling in de periode van 6 januari 2026 tot en met 21 april 2026;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Alt-van Endt en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026.

mw