Verbintenissenrecht

Eiseres verzoekt de kantonrechter terug te komen van een bindende eindbeslissing. Het verzoek wordt…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 16 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 16 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Bergen op Zoom
Datum uitspraak
16 oktober 2026
Datum publicatie
22 oktober 2026
Zaaknummer
12165392 VV EXPL 26-16
Procedure
Kort geding
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:10257
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Eiseres verzoekt de kantonrechter terug te komen van een bindende eindbeslissing. Het verzoek wordt afgewezen. De beslissing berust niet op een juridische of feitelijke misslag.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Bergen op Zoom

Zaaknummer: 12165392 \ VV EXPL 26-16

Vonnis in kort geding van 16 oktober 2026

in de zaak van

[persoon 1] ,

eisende partij in de hoofdzaak,

verwerende partij in het incident tot zekerheidstelling,

eisende partij in het incident ex artikel 194 Rv,

hierna te noemen: [persoon 1] ,

procederend in persoon,

tegen

1 [bedrijf] B.V.,

te [plaats 1] ,
2. [persoon 2],

te [plaats 1] ,

gedaagde partijen in de hoofdzaak,

eisende partijen in het incident tot zekerheidstelling,

verwerende partijen in het incident ex artikel 194 Rv,

hierna samen te noemen: [bedrijf] en [persoon 2] ,

gemachtigde: mr. H.R. Eekhof.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het tussenvonnis van 18 juni 2026 en de daarin vermelde stukken;

  • de akte van [persoon 1] .

2 De verdere beoordeling

2.1.

De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis in het incident tot zekerheidstelling van 18 juni 2026 (hierna: het tussenvonnis) en wat daarin is overwogen en beslist.

2.2.

In haar akte verzoekt [persoon 1] de kantonrechter om terug te komen van de beslissingen in het tussenvonnis. Daarvoor stelt zij dat zij vanaf 23 juli 2026 staat ingeschreven op het woonadres [adres] . Ook stelt zij dat zij inmiddels verhaal biedt in Nederland voor een vordering van [bedrijf] en [persoon 2] , nu zij in Nederland een woonadres heeft, in Nederland een onroerende zaak heeft en overige verhaalsmogelijkheden.

2.3.

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis beslist dat [persoon 1] ten behoeve van [bedrijf] en [persoon 2] zekerheid moet stellen voor de proceskosten waartoe zij kan worden veroordeeld in het kort geding. Daarvoor is geoordeeld dat [persoon 1] onvoldoende heeft onderbouwd dat zij een verblijfplaats heeft in Nederland (artikel 224 lid 1 Rv) en dat het beroep van [persoon 1] op de uitzonderingsgrond niet slaagt, inhoudende dat zij verhaal zou bieden voor een vordering tot betaling van proceskosten (artikel 224 lid 2 aanhef en sub c Rv).

2.4.

De kantonrechter heeft hiermee een bindende eindbeslissing gegeven. Voor dergelijke beslissingen geldt de hoofdregel dat daarvan in dezelfde instantie niet meer kan worden teruggekomen. Volgens vaste rechtspraak kan dat anders zijn indien de beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke misslag. In dat geval brengen de eisen van een goede procesorde mee dat de rechter bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich hierover uit te laten, over te gaan tot heroverweging van de eindbeslissing om te voorkomen dat de rechter op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (Hoge Raad 16 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1873).

2.5.

De eindbeslissing berust niet op een (juridische of feitelijke) misslag. Bij van het wijzen van het tussenvonnis was niet gebleken van een verblijfplaats voor [persoon 1] in Nederland. Evenmin was toen gebleken dat zij verhaal bood voor een vordering tot betaling van proceskosten van [bedrijf] en [persoon 2] . De omstandigheden dat [persoon 1] na het tussenvonnis zich op 23 juli 2026 alsnog heeft ingeschreven op een adres in [plaats 2] en dat zij inmiddels meer verhaal voor de vordering van [bedrijf] en [persoon 2] zou bieden, verandert dat niet. Dat zijn omstandigheden van na het tussenvonnis.

2.6.

Gelet op het bovenstaande wordt het verzoek van [persoon 1] om terug te komen van de beslissingen in het tussenvonnis afgewezen.

2.7.

Omdat het verzoek van [persoon 1] wordt afgewezen, zijn [bedrijf] en [persoon 2] niet in de gelegenheid gesteld om zich eerst nog uit te laten over dat verzoek.

2.8.

Uit de door [persoon 1] bij haar akte overgelegde productie 7 volgt dat het tussenvonnis op 7 augustus 2026 aan haar is betekend. Daarmee is de termijn van acht weken voor [persoon 1] aangevangen voor het stellen van zekerheid voor de proceskosten. Inmiddels is die termijn verstreken. Uit de akte van [persoon 1] volgt dat zij geen zekerheid heeft gesteld. Zoals overwogen in het tussenvonnis zal [persoon 1] daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dit kort geding.

2.9.

[persoon 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen in de hoofdzaak. De proceskosten van [bedrijf] en [persoon 2] worden vastgesteld op nihil, aangezien niet is gebleken van meerkosten voor de behandeling van de hoofdzaak.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

verklaart [persoon 1] niet-ontvankelijk in haar vorderingen,

3.2.

veroordeelt [persoon 1] in de proceskosten in de hoofdzaak van nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2026.