Materieel strafrecht
Jeugdstrafrecht. Bewezenverklaring mishandelingen en belediging (o.a. van politieagenten). (Gedeeltelijke)…
Rechtbank Den Haag, 18 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:17608 · Rechtbank Den Haag · 18 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/strafrecht/materieel-strafrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbdha-2026-17608
Zaakgegevens
Op 18 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 18 juni 2026
- Datum publicatie
- 29 juni 2026
- Zaaknummer
- 09-029111-26, 09-303388-25 (ttz. gev.) en 09-04405
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17608
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Jeugdstrafrecht. Bewezenverklaring mishandelingen en belediging (o.a. van politieagenten). (Gedeeltelijke) toewijzing van vorderingen benadeelde partijen.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 09-029111-26, 09-303388-25 (ttz. gev.) en 09-044056-26 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 18 juni 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:
[verdachte] (hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] ,
verblijfsadres: [adres] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
De strafzaken tegen de verdachte zijn behandeld op de besloten terechtzitting van 4 juni 2026. De strafzaken zijn gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de strafzaak met parketnummer 09-240053-25.
De officier van justitie in deze zaak is mr. T. Nauta en de raadsvrouw van de verdachte is mr. C.C. Peterse te Den Haag. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.
2 De tenlastelegging
De verdenkingen komen er, kort gezegd, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
Dagvaarding I - 09-303388-25
1. mishandeling van politieambtenaar [naam 1] op 11 november 2025 in Alphen aan den Rijn door hem een knietje te geven;
2. belediging van politieambtenaren [naam 1] en [naam 2] op 11 november 2025 in Alphen aan den Rijn door in hun richting te spugen;
Dagvaarding II - 09-044056-26
mishandeling van [naam 3] (begeleider bij [instelling] ) op 30 november 2025 in Alphen aan den Rijn;
Dagvaarding III - 09-029111-26
mishandeling van politieambtenaar [naam 4] op 28 januari 206 in Sassenheim, door haar tegen het hoofd te slaan.
De volledige tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3 De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het bij dagvaarding I onder 2 ten laste gelegde feit (het spugen richting agent [naam 1] ). De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen over het bewijs van de andere feiten.
Het oordeel van de rechtbank
Dagvaarding I - 09-303388-25
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het zaakregistratienummer PL1500-2025383330 van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (pagina 1 t/m 40).
Gebruikte bewijsmiddelen – Feit 1
De rechtbank zal voor dit feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 4 juni 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 11 november 2025 (p. 5-7).
Gebruikte bewijsmiddelen – Feit 2
De rechtbank heeft hierna de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
1. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 12 november 2025, voor zover inhoudende (p. 10-13):
Op dinsdag 11 november 2025 te 22.20 uur was ik verbalisant belast met algemene
surveillance voor politie Alphen aan den Rijn.
In de rit naar het politiebureau wilde ik aan [verdachte] haar rechten uitleggen. Tijdens
het uitleggen van de rechten aan [verdachte] hoorde ik dat ze haar mond en neus schraapte.
Het geluid en de actie die iemand maakt net voordat iemand een rochel uit de mond
spuugt. Ik hoorde dit geluid en vrijwel direct gevolgd door een spuuggeluid waarbij
ik een flinke lading spuug in mijn nek voelde landen. Ik voelde dit landen achter
mijn rechteroor. Ik voelde dat in mijn nek, aan de achterzijde van mijn hoofd, daar
waar de nek overgaat in de haargrens de rochel geland was in mijn nek. Ik sprak
meteen uit hoe smerig ik dit vond.
[naam 1] , werkzaam als brigadier bij de Eenheid Den Haag
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 12 november 2025, voor zover inhoudende (p. 14-16):
Tijdens het vervoer naar bureau Alphen aan den Rijn probeerde [naam 1] , die het dienstvoertuig bestuurde, uit te leggen aan [verdachte] wat er nu ging gebeuren. Ik hoorde opeens een rochelend geluid bij [verdachte] vandaan komen en voordat ik kon reageren zag ik dat [verdachte] spuugde in de richting van [naam 1] . Ik zag een klodder speeksel uit de mond van [verdachte] komen en door de lucht vliegen naar [naam 1] . Ik zag dat deze rochel landde in de nek van [naam 1] .
Bewijsoverwegingen – Feit 2
Tijdens de zitting heeft de verdachte verklaard dat zij niet bewust naar agent [naam 1] heeft gespuugd, maar dat zij overtollig speeksel in haar mond had dat zij kwijt wilde raken door naar de grond te spugen terwijl op dat moment haar hoofd werd weggeduwd door de agent op de achterbank. De rechtbank vindt het gelet op de verklaringen van beide agenten niet aannemelijk dat de verdachte vanaf de achterbank van de politieauto de op de bestuurdersstoel zittende agent [naam 1] per ongeluk heeft geraakt. De rechtbank zal daarom de belediging van agent [naam 1] door richting hem te spugen, bewezen verklaren.
Dagvaarding II - 09-044056-26
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor dit feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het zaakregistratienummer PL1500-2025414502, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (pagina 1 t/m 26).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 4 juni 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 8 december 2025 (p. 5-11).
Dagvaarding III - 09-029111-26
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor dit feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026031373, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (pagina 1 t/m 52).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 4 juni 2026;
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 januari 2026 (p. 6-8).
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I - 09-303388-25
1
zij op 11 november 2025 te Alphen aan den Rijn,
[naam 1] , brigadier van politie, heeft mishandeld, door die [naam 1] een
(zogenaamd) knietje in de buikstreek te geven,
terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van
de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
2
zij op 11 november 2025 te Alphen aan den Rijn
opzettelijk een ambtenaar, te weten [naam 1]
brigadier van politie, gedurende of ter zake van de rechtmatige
uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid,
door feitelijkheden, heeft beledigd,
door te spuwen in de richting van die [naam 1] ;
Dagvaarding II - 09-044056-26
zij op 30 november 2025 te Alphen aan den Rijn
[naam 3] heeft mishandeld, door haar te slaan;
Dagvaarding III - 09-029111-26
zij op 28 januari 2026 te Sassenheim,
[naam 4] heeft mishandeld, door die [naam 4] meermalen tegen het hoofd te
slaan, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van
de rechtmatige uitoefening van haar bediening.
4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5 De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.
6 De op te leggen straf
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke werkstraf van 60 uren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat een voorwaardelijke werkstraf een passende afdoening is, omdat de zorg voorliggend zou moeten zijn.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft meerdere politieagenten beledigd en mishandeld terwijl zij aan het werk waren. Agent [naam 1] en [naam 4] hebben beiden treffend omschreven hoe zij erdoor geraakt zijn dat zij te maken kregen met de plotselinge agressie van de nog jonge verdachte. Deze politieagenten deden hun werk en waren in beide gevallen ingeschakeld om de weggelopen verdachte terug te brengen naar haar woonplek. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat zij de agenten die haar juist probeerden te helpen, heeft aangevallen.
De rechtbank neemt het de verdachte ook kwalijk dat zij een begeleider van haar woongroep heeft geslagen, terwijl ook zij haar werk probeerde te doen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een vergelijkbaar strafbaar feit.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) van 26 januari 2026 en 28 mei 2026 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat er grote zorgen zijn over de ontwikkeling van de verdachte, die vanaf mei 2025 in de gesloten jeugdzorg verblijft. De Raad is van mening dat de behandeling van de verdachte voorop zou moeten staan. De Raad adviseert daarom om een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. Een onvoorwaardelijke straf zou de zorg die er nu is voor de verdachte doorkruisen, maar er moet voor de verdachte wel een stok achter de deur zijn om niet nogmaals strafbare feiten te plegen.
De ter zitting aanwezige jeugdreclasseerder heeft naar voren gebracht dat de verdachte zich de afgelopen maanden steeds beter ontwikkelt. De verdachte heeft te horen gekregen dat zij binnenkort binnen de gesloten instelling waar zij verblijft, in een studio mag gaan wonen waar zij aan haar zelfstandigheid kan werken. De verdachte staat ook open voor diagnostiek en behandeling. Het is van belang dat dit traject kan worden voortgezet met inzet van de verdachte.
Strafmodaliteit en strafmaat
De rechtbank stelt voorop dat het jeugdstrafrecht een pedagogisch karakter heeft. Dat betekent dat het voornaamste doel is om te zorgen dat de jeugdige die een strafbaar feit pleegt, geholpen wordt om zich op een zodanige manier te ontwikkelen dat zij niet opnieuw strafbare feiten pleegt. Dit is in het belang van de jeugdige, maar ook in het belang van de maatschappij waarin de jonge verdachte uiteindelijk altijd weer terecht zal komen.
De rechtbank zal tegen die achtergrond aansluiten bij de door de officier van justitie geëiste straf. Het is van belang dat de verdachte de zorg en behandeling krijgt die zij nodig heeft om tot een verdere positieve ontwikkeling te komen. Het is hierbij van belang dat de verdachte weet dat zij een (werk)straf zou moeten uitvoeren als zij nogmaals in de fout gaat, of niet meewerkt aan de nodige hulpverlening. De rechtbank zal daarom een voorwaardelijke werkstraf opleggen van 60 uren, onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte verblijft in een instelling die de jeugdreclassering passend vindt, een goedgekeurde dagbesteding heeft en meewerkt aan diagnostisch onderzoek en behandeling.
7 De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
[naam 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van immateriële schade een bedrag van € 540,- , te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
[naam 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van immateriële schade een bedrag van € 500,- , te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van benadeelde [naam 1] moet worden toegewezen tot een bedrag van € 250,- en dat de vordering van benadeelde [naam 4] geheel moet worden toegewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van benadeelde partijen [naam 1] en [naam 4] toegewezen zouden moeten worden tot bedragen van € 250,- per persoon.
Het oordeel van de rechtbank
Vordering [naam 1]
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij [naam 1] rechtstreeks schade heeft geleden door de bij dagvaarding I onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten. Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de gevorderde immateriële schadevergoeding toewijzen tot een bedrag van € 300,-.
De rechtbank zal de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat dit deel slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 11 november 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Schadevergoedingsmaatregel - [naam 1]
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bij dagvaarding I onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbare feiten is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 300,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 11 november 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd
[naam 1] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
Vordering [naam 4]
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij [naam 4] rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding III bewezen verklaarde feit. De benadeelde had letsel aan haar ooglid en haar hand en een lichte hersenschudding. De benadeelde heeft een maand last gehad van haar oog en zeker twee maanden last gehad van concentratieproblemen. Gelet daarop en op wat door de benadeelde partij verder ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de vordering in zijn geheel toewijzen.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 28 januari 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Schadevergoedingsmaatregel - [naam 4]
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bij dagvaarding III bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 500,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 28 januari 2026 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [naam 4] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
Proceskostenveroordeling – [naam 1] en [naam 4]
Nu de vorderingen gedeeltelijk respectievelijk geheel worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
10 De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
36f, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 266, 267, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
12 De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I, II en III ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.9 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
Dagvaarding I - 09-303388-25
feit 1: mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
feit 2: eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
Dagvaarding II - 09-044056-26
mishandeling;
Dagvaarding III - 09-029111-26
mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straf
veroordeelt de verdachte tot:
een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 60 UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (de rechtbank gaat uit van 3 dagen) bij de eventuele tenuitvoerlegging van deze werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;
bepaalt dat deze taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. gedurende de proeftijd meewerkt aan verblijf in een (jeugdzorg)instelling die de jeugdreclassering passend acht en zich houdt aan de afspraken die hier gelden, zo lang als de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
2. gedurende de proeftijd onderwijs volgt en/of andere zinvolle en door de jeugdreclassering goedgekeurde dagbesteding heeft;
3. zich beschikbaar stelt voor diagnostisch onderzoek dan wel behandeling,uitgevoerd door [instelling] , de Waag of een soortgelijke instelling, zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan Jeugdbescherming Overijssel te Zwolle, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- haar medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,
daaronder begrepen.
de vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 300,- en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [naam 1] , een bedrag van € 300,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 11 november 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
verklaart de benadeelde partij [naam 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;
bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam 1] te betalen € 300,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 november 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam 4] geheel toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [naam 4] , een bedrag van € 500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 28 januari 2026 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam 4] te betalen € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partijen begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van de verschuldigde bedragen door de
verdachte aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen
aan de Staat in zoverre doet vervallen en omgekeerd;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter, voorzitter,
mr. E. van Die, kinderrechter,
en mr. M.J.L. van der Waals, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.T. Verlinde, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 juni 2026.