Materieel strafrecht
Jeugdstrafrecht. Vrijspraak van wederspanningheid, politieagenten niet in rechtmatige uitoefening van hun…
Rechtbank Den Haag, 18 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:17617 · Rechtbank Den Haag · 18 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/strafrecht/materieel-strafrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbdha-2026-17617
Zaakgegevens
Op 18 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 18 juni 2026
- Datum publicatie
- 29 juni 2026
- Zaaknummer
- 09-240053-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17617
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Jeugdstrafrecht. Vrijspraak van wederspanningheid, politieagenten niet in rechtmatige uitoefening van hun bediening. Bewezenverklaring van belediging van politieambtenaren zonder oplegging van straf of maatregel. Benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering, onevenredige belasting.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 09-240053-25
Datum uitspraak: 18 juni 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] (hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] ,
verblijfsadres: [adres] , [woonplaats] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 4 juni 2026. De strafzaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de strafzaken met parketnummers 09-303388-25, 09-044056-26 en 09-029111-26.
De officier van justitie in deze zaak is mr. T. Nauta en de raadsvrouw van de verdachte is mr. C.C. Peterse te Den Haag. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.
2 De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort gezegd, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
1. belediging van politieambtenaren [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] op 11 september 2025 in Voorburg door ze kankerhoer en/of stinkhoer te noemen en door [politieambtenaar 2] in het gezicht te spugen;
2. het zich met geweld verzetten tegen aanhouding op 11 september 2025 in Voorburg waardoor politieambtenaar [politieambtenaar 1] haar duim heeft gekneusd.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3 De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de mondelinge belediging van de agenten zoals ten laste gelegd onder feit 1 wettig en overtuigend bewezen kan worden. De officier van justitie stelt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 2, omdat de politieambtenaren niet meer in de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren op het moment van de aanhouding.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, omdat de politieambtenaren niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening hebben gehandeld.
Vrijspraak – feit 2
De rechtbank is net als de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend is bewezen.
De verdachte was op 11 september 2025 opgeroepen om op het politiebureau als getuige van een zedenfeit een verklaring af te leggen, maar het vermoeden bestond dat zij vermoedelijk zelf ook slachtoffer was van een zedenfeit. Zij bevond zich dus in een erg kwetsbare positie en was alleen in de verhoorkamer met twee politieagenten (rechercheurs). Op de opnames van het verhoor is duidelijk te horen dat de verdachte zonder enige reden de agenten meerdere keren uitscheldt. De rechtbank stelt voorop dat dit gedrag van de verdachte onacceptabel is. Toen het verhoor korte tijd daarna werd beëindigd, zijn echter door een van de rechercheurs uitlatingen gedaan jegens de jonge en kwetsbare verdachte die zeer onprofessioneel zijn en niet kunnen worden gerechtvaardigd. De situatie die daarna is ontstaan en waarbij sprake is geweest van het omgooien van een stoel door verdachte, een worsteling en uiteindelijk de aanhouding van de verdachte, is naar het oordeel van de rechtbank mede ontstaan door de niet de-escalerende opstelling van de agenten. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verbalisanten op het moment van de aanhouding niet meer in de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van feit 2.
Gebruikte bewijsmiddelen – feit 1
De rechtbank heeft hierna de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025309001, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (pagina 1 t/m 27).
1. Het proces-verbaal van aanhouding, opgemaakt op 11 september 2025, voor zover inhoudende (p. 15-16):
Op donderdag 11 september 2025 waren wij verbalisanten in het bureau van politie
Eenheid Den Haag, Temeculaplein 1 te Voorburg voor het horen van een minderjarige getuige genaamd [verdachte] in een zedenzaak.
[verdachte] begon ons steeds meer uit te schelden voor kanker politie, kanker hoer en soortgelijke woorden. [verdachte] beledigde ons met de woorden “Kanker politie, kanker hoer, hoer” en bleef diverse beledigingen en verwensingen naar ons uiten.
[politieambtenaar 2] , werkzaam als brigadier bij de Eenheid Den Haag,
[politieambtenaar 1] , werkzaam als inspecteur bij de Eenheid Den Haag,
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 11 september 2025, voor zover inhoudende (p. 9):
Vervolgens werd verdachte [verdachte] in de voorgeleidings-ruimte bij haar armen beetgepakt om de jas uit te gaan trekken.
Ik, [politieambtenaar 2] , zag en voelde dat verdachte [verdachte] vervolgens in mijn gezicht spuugde.
3. Het proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte, opgemaakt op 11 september 2025, voor zover inhoudende (p. 20-25):
V: Je zei dat je ging schelden, maar wat heb je gescholden?
A: Veel met kanker en stinkhoeren.
V: Snap je dat ze zich beledigd kan voelen?
A: Dat snap ik wel, maar dat was ook de bedoeling.
V: Je zou politiemedewerkers bespuugd en mishandeld hebben? Wat wil je daar over kwijt?
A: Toen we daar stonden op een soort wacht plek. Toen zei ze doe je jas uit anders doen we het met moeite uit. Ik had het koud, dus ik wilde mijn jas niet uit doen en toen ging ze me vastpakken en spuugde ik haar gezicht.
Bewijsoverwegingen – feit 1
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de politieagenten niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren toen de verdachte ze met verschillende krachttermen heeft beledigd en één van hen heeft bespuugd. De rechtbank is van oordeel dat dat dit wel het geval was.
De verdachte begon de agenten al vrij snel na de start van het verhoor zonder aanleiding uit te schelden, toen zij haar vragen stelden over een mogelijk zedenfeit. Zij waren toen nog in de rechtmatige bediening van hun beroep en een getuigenverhoor aan het afnemen. Dat geldt ook voor het moment, kort daarna, toen de verdachte was aangehouden en in de voorgeleidingsruimte op één van de agenten spuugde toen zij haar jas moest uitdoen. Het oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van de bediening ten tijde van de aanhouding doet daar niet aan af. De rechtbank is daarom van oordeel dat de belediging in zijn geheel bewezen kan worden verklaard zoals ten laste is gelegd.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
zij op 11 september 2025 te Voorburg, opzettelijk ambtenaren, te weten [politieambtenaar 1]
(inspecteur bij de Eenheid Den Haag) en [politieambtenaar 2] (brigadier bij de
Eenheid Den Haag), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van
hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling
heeft beledigd, door hun de woorden toe te voegen: kankerhoer en
stinkhoer, en die [politieambtenaar 2] in het gezicht te spugen;
4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5 De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.
6 De straf
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte schuldig wordt verklaard zonder oplegging van straf.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het (subsidiaire) standpunt gesteld dat de verdachte schuldig moet worden verklaard zonder oplegging van straf.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft twee politieagenten uitgescholden en één van hen in het gezicht gespuugd. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat zij zich zo respectloos heeft gedragen, terwijl de agenten hun werk aan het doen waren. De verdachte heeft over het spugen op de zitting verklaard dat ze het ook deed, omdat ze toen toch al wist dat ze naar de cel zou moeten. De rechtbank neemt dit de verdachte kwalijk.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een vergelijkbaar strafbaar feit.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van 28 mei 2026 van de Raad voor de Kinderbescherming en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat er grote zorgen zijn over de ontwikkeling van de verdachte, die vanaf mei 2025 in de gesloten jeugdzorg verblijft. De Raad is van mening dat de behandeling van de verdachte voorop zou moeten staan.
Straf?
De rechtbank kan bepalen dat geen straf (of maatregel) wordt opgelegd vanwege (onder andere) de omstandigheden waaronder het feit is begaan. In dit geval houdt de rechtbank er in het bijzonder rekening mee dat de op dat moment 15-jarige verdachte was opgeroepen om een getuigenverklaring af te leggen over een mogelijk zedenfeit. Hierbij waren er vermoedens dat de verdachte zelf wellicht ook slachtoffer was geworden van een zedenfeit. De verdachte bevond zich, zo als hierboven al is overwogen, in een buitengewoon kwetsbare positie. De rechtbank heeft ook al overwogen dat ook de betrokken agenten een aandeel hebben gehad in het uit de hand lopen van de situatie. De verdachte heeft zich tijdens het gesprek met de zedenrechercheurs misdragen, maar heeft daarvan naar het oordeel van de rechtbank al genoeg consequenties ondervonden. Zij is in een worsteling geraakt met de agenten op de gang en tegen de grond gewerkt, waarna zij is aangehouden en in een politiecel heeft moeten verblijven. De rechtbank zal daarom, zoals de officier van justitie en de raadsvrouw ook hebben gevraagd, alleen vaststellen dat de verdachte schuldig is en geen straf opleggen.
7 De vordering van de benadeelde partij
[politieambtenaar 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces.
De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 350,- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.
Het oordeel van de rechtbank
De situatie waarin de gestelde schade van de benadeelde is ontstaan, is complex. Omdat de rechtbank van oordeel is dat de benadeelde zelf ook een rol heeft gehad in het escaleren van de situatie, is niet eenvoudig vast te stellen of het ontstaan van (een deel van) de gestelde immateriële schade aan de verdachte kan worden toegerekend. Het uitwisselen van schriftelijke standpunten hierover zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot immateriële schadevergoeding. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met haar verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
12 De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
belediging, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straf
bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd;
de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
verklaart de benadeelde partij [politieambtenaar 2] niet-ontvankelijk in de vordering;
bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de benadeelde partij [politieambtenaar 2] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter, voorzitter,
mr. E. van Die, kinderrechter,
en mr. M.J.L. van der Waals, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.T. Verlinde, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 juni 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1
zij op of omstreeks 11 september 2025 te Voorburg, gemeente
Leidschendam-Voorburg opzettelijk een ambtena(a)r(en), te weten [politieambtenaar 1]
(inspecteur bij de Eenheid Den Haag) en/of [politieambtenaar 2] (brigadier bij de
Eenheid Den Haag), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van
zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling
heeft beledigd, door hem/haar/hun de woorden toe te voegen: kankerhoer en/of
stinkhoer, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking en/of die
[politieambtenaar 2] in het gezicht te spugen;
2
zij op of omstreeks 11 september 2025 te Voorburg, gemeente
Leidschendam-Voorburg, zich met geweld en/of bedreiging met geweld,
heeft verzet tegen een ambtenaar, [politieambtenaar 1] (inspecteur bij de Eenheid Den Haag)
en/of [politieambtenaar 2] (brigadier bij de Eenheid Den Haag), werkzaam in de
rechtmatige uitoefening van haar/hun bediening, te weten ter aanhouding van
verdachte door haar linkerarm aan te spannen en deze naar zich toe te trekken
en/of zich los te worstelen
terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig
lichamelijk letsel, te weten een gekneusde duim bij die [politieambtenaar 1] ten gevolge heeft
gehad