Strafrecht overig

In een beklagprocedure als deze is slechts plaats voor een marginale toetsing. Tegelijk mag, ook vanwege het…

Zaakgegevens

Op 18 juli 2017 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
's-Gravenhage
Datum uitspraak
18 juli 2017
Datum publicatie
29 juli 2017
Zaaknummer
17/967
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2017:8511
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

In een beklagprocedure als deze is slechts plaats voor een marginale toetsing. Tegelijk mag, ook vanwege het ingrijpende karakter van de inbreuk op het eigendomsrecht, naar het oordeel van de rechtbank van het Openbaar Ministerie worden verwacht dat de verdenking -op grond waarvan wordt uitgegaan van een verbeurdverklaring door de strafrechter - concreet wordt gemaakt. De enkele omstandigheid dat in een kluis een groot geldbedrag en sieraden worden aangetroffen is in dit verband niet voldoende. Te minder nu klager voor de aanwezigheid hiervan een onderbouwde uitleg heeft gegeven. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend de verbeurdverklaring van de in beslag genomen voorwerpen zal bevelen.

De rechtbank concludeert dat het strafvorderlijk belang zich niet verzet tegen teruggave van de inbeslaggenomen goederen en zal het beklag gegrond verklaren.

Uitspraak

Inhoudsopgave

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Kenmerk RK: 17/967

Beslissing van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het beklag ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klager] ,

geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] (Irak),

te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat mr. R.A.J. Verploegh, Buitenhof 24, 2513 AG Den Haag,

blijkens een daarvan opgemaakte akte op 9 maart 2017 ter griffie van deze rechtbank ingediend, strekkende tot teruggave van

  • een BMW 640d met kenteken [kenteken] ;

  • geldbedragen ( € 1.795,00 en € 36.300,00);

  • sieraden (13 gouden ringen, 2 zilveren ringen, 5 gouden kettingen, 8 goud/zilveren armbanden en 2 hangers);

  • een geldbedrag van € 18.675,00 op rekening [rekeningnummer] ;

aan klager.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het dossier.

De rechtbank heeft dit beklag op 4 juli 2017 in raadkamer behandeld.

Klager, bijgestaan door mr. Verploegh, is in raadkamer gehoord.

Tevens is klager bijgestaan door de heer S.M.M. Abdellatif, tolk Arabisch (Irakees).

De raadsman van klager heeft aangevoerd dat niet is gebleken van enig verband tussen de goederen en geldbedragen waarop beslag is gelegd en enig door klager gepleegd strafbaar feit. Bovendien heeft klager de aanwezigheid van het geld in de kluis verklaard.

De officier van justitie heeft in raadkamer geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag. De officier van justitie heeft verklaard zich te verzetten tegen opheffing van het beslag omdat het volgens haar niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend de beslagen tegoeden zal verbeurd verklaren en het belang van strafvordering zich dus verzet tegen opheffing van het beslag.

Beoordeling van het beklag.

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het beklag.

Het klaagschrift is tijdig ingediend.

Vast staat dat bedoelde goederen en bedragen op 15 februari 2017 onder klager – op grond van artikel 94 Sv - in beslag zijn genomen en hem in eigendom toebehoren.

Uit de aan de rechtbank ter beschikking gestelde stukken blijkt het volgende. Voornoemde goederen zijn onder klager in beslag genomen bij een zogenaamde HEIT-controle: een gecombineerde controle van verschillende overheidsdiensten, waaronder de belastingdienst en de politie. Tijdens deze controle zijn een groot geldbedrag (€ 36.300,-) en sieraden aangetroffen in een kluis in de winkel van klager. Hierop zijn zowel het geldbedrag als de sieraden op verdenking van witwassen in beslag genomen. Vanwege deze verdenking is vervolgens ook de auto van klager en het geld dat hij op zak had (€ 1.795,-) in beslag genomen en is beslag gelegd op zijn bankrekening.

Ter zitting heeft de officier van justitie aangevoerd dat er aanwijzingen zijn voor belastingontduiking door verdachte. De witwasverdenking is niet nader onderbouwd.

Bij de beoordeling van een beklag tegen een op de voet van artikel 94 Sv gelegd beslag, dient de vraag te worden beantwoord of het belang van strafvordering verlangt dat het beslag wordt voortgezet. Dat belang bestaat in de eerste plaats uit waarheidsvinding en/of het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het belang van strafvordering verzet zich daarnaast ook tegen teruggave wanneer niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen.

Dat het beslag dient voort te duren vanwege de waarheidsvinding of het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel, is door de officier van justitie niet aangevoerd en is ook overigens niet uit het dossier gebleken.

Met betrekking tot de vraag of niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend de verbeurdverklaring van de in beslag genomen voorwerpen zal verklaren, overweegt de rechtbank overweegt als volgt.

In een beklagprocedure als deze is slechts plaats voor een marginale toetsing. Tegelijk mag, ook vanwege het ingrijpende karakter van de inbreuk op het eigendomsrecht, naar het oordeel van de rechtbank van het Openbaar Ministerie worden verwacht dat de verdenking -op grond waarvan wordt uitgegaan van een verbeurdverklaring door de strafrechter - concreet wordt gemaakt. De enkele omstandigheid dat in een kluis een groot geldbedrag en sieraden worden aangetroffen is in dit verband niet voldoende. Te minder nu klager voor de aanwezigheid hiervan een onderbouwde uitleg heeft gegeven. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend de verbeurdverklaring van de in beslag genomen voorwerpen zal bevelen.

De rechtbank concludeert dat het strafvorderlijk belang zich niet verzet tegen teruggave van de inbeslaggenomen goederen en zal het beklag gegrond verklaren.

Beslissing.

De rechtbank verklaart het beklag gegrond en gelast de teruggave van

  • een BMW 640d met kenteken [kenteken] ;

  • geldbedragen ( € 1.795,00 en € 36.300,00);

  • sieraden (13 gouden ringen, 2 zilveren ringen, 5 gouden kettingen, 8 goud/zilveren armbanden en 2 hangers);

aan klager.

De rechtbank gelast opheffing van het beslag op rekening [rekeningnummer] .

Aldus gedaan te Den Haag door mr. R.G.C. Veneman, rechter, in tegenwoordigheid van mr. H.J.M. Oliemeulen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 18 juli 2017.